Q2 Opzegging kredietrelaties

Written on 9 Jul 2015

Het afgelopen kwartaal zijn er drie uitspraken gepubliceerd die zien op de opzegging van kredietfaciliteiten, waarvan twee uitspraken relevant zijn. In de meest recente uitspraak hanteert de rechtbank Den Haag het juiste toetsingskader dat de Hoge Raad heeft geformuleerd in het arrest ING Bank/De Keijzer, waar de Voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland een jaar eerder (in een uitspraak die pas recent is gepubliceerd) een eigen toetsingskader hanteert, dat niet strookt met het (onjuiste) Rabobank/Aarding en niet met ING/De Keijzer.

De opzegging waarover de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland moest oordelen is een behoorlijk kras geval. De kredietnemer betwist de rechtmatigheid van de opzegging door de bank, hoewel de kredietnemer heeft deelgenomen aan een kartel op de markt voor executieveilingen en daarmee zowel banken als consumenten heeft benadeeld (of beter: belazerd).

A. Juist toetsingskader en rechtmatige kredietopzegging 

In de zaak ING Bank/X Assurantiën (Rb. Den Haag 10 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6808) heeft X Assurantiën zich niet gehouden aan haar betalingsverplichtingen, heeft ING Bank meermaals gewezen op de consequenties daarvan en uiteindelijk heeft zij de kredietfaciliteit (conform in dit geval een contractuele opzeggingsbevoegdheid) opgezegd. X Assurantiën beroept zich op de criteria uit Rabobank/Aarding (Hof Arnhem 18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233: voldoende zwaarwegend belang en proportionaliteit en subsidiariteit). De rechtbank Den Haag passeert – terecht – het beroep op Rabobank/Aarding en hanteert – terecht – de criteria uit ING Bank/De Keijzer (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929). Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de door ING Bank in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat zij X Assurantiën vele malen heeft gewaarschuwd en in de gelegenheid heeft gesteld om het verschuldigde te voldoen en dat ING Bank met X Assurantiën een betalingsregeling heeft afgesproken, maar dat X Assurantiën doorgaans zelf in gebreke bleef te reageren. Zodoende is de opzegging van de kredietfaciliteit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en blijft de opzegging in stand.

B. Een kredietnemer die het wel heel bont maakt

Echt interessant is de uitspraak X/Rabobank Barneveld-Voorthuizen (Rb. Gelderland 15 april 2014 (gepubliceerd 16 juni 2015), ECLI:NL:RBGEL:2014:8207). In die zaak gaat het om een beëindiging van een kredietrelatie van de bank met de klant omdat de relatie tussen Rabobank en de klant een gevaar is of kan zijn voor de integriteit en/of de reputatie van de financiële sector en/of de bank (zoals bedoeld in art. 21 lid 2 onder f van de algemene voorwaarden bedrijfsfinancieringen). We zetten de feiten iets uitgebreider uiteen dan gebruikelijk.

De klant heeft meegedaan aan het kartel van executieveilingen en is daarvoor beboet door de (toenmalige) NMa. De gedragingen waarom het gaat zijn door hun gevolgen bijzonder ernstig. De executieveiling door de hypotheekhouder of beslaglegger is een instituut dat in de wet is opgenomen met de bedoeling te waarborgen dat door een goede prijsvorming een behoorlijke opbrengst wordt verkregen. Dat is in het belang van de schuldenaar en van de executant. De door de NMa geconstateerde gedragingen dwarsbomen een goede prijsvorming, met als gevolg dat de opbrengst veel lager is dan die bij een vrije werking van vraag en aanbod op de veiling zou behoren te zijn. De schuldenaar, die veelal reeds in ernstige financiële problemen verkeert, blijft vervolgens met een (nog grotere) restschuld achter en de bank met een (nog grotere) moeilijk inbare vordering, terwijl de winst bij verkoop tegen een veel hoger bedrag, al dan niet via een naveiling, in de zak(ken) van de handela(a)r(en) verdwijnt. Dit is een bijzonder ernstige misstand.

Het lijdt geen twijfel dat de bank die bij bekendheid hiervan doorgaat met de financiering van de vastgoedhandel van de klant, het gevaar loopt op ernstige aantasting van haar reputatie en integriteit, terwijl bovendien (verdere) aantasting dreigt van de (sinds enige tijd toch al twijfelachtige) reputatie en de integriteit van de gehele financiële sector. Daarbij komt nog dat de bank dan het risico loopt in feite de torpedering van haar eigen executoriale verkopen te financieren. Dit zijn bijzonder zwaar wegende belangen. Van de bank kan niet licht worden verlangd dat zij onder deze omstandigheden doorgaat met financiering en met de bancaire relatie als zodanig.

De voorzieningenrechter overweegt dat of de bank tot beëindiging mag overgaan, mede wordt bepaald door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zal beoordeeld moeten worden aan de hand van een afweging van belangen met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter concludeert, mede vanwege het feit dat de bank de kredietrelatie gefaseerd gaat beëindigen, dat niet kan worden aangenomen dat de belangen van de klant bij verdere voortzetting van de relatie zwaarder wegen dan de zwaarwegende belangen die de bank heeft bij beëindiging ervan. De voorzieningenrechter hanteert dus duidelijk een verkeerd toetsingskader, maar vanwege het feit dat de door de voorzieningenrechter lichtere gehanteerde maatstaf (redelijkheid en billijkheid) al leidt tot de conclusie dat Rabobank de kredietrelatie mag beëindigen, geldt dat zeker als het juiste zwaardere criterium was aangewend (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar).