Q2 Klachtplicht, vervaltermijnen en verjaring

Written on 1 Aug 2016

De uitspraken omtrent verjaring en verval zijn het afgelopen kwartaal niet baanbrekend geweest. De rechtbank Overijssel geeft duidelijkheid omtrent het moment van de aanvang van de verjaringstermijn ex artikel 3:316 lid 2 BW na een WCAM-procedure. Verder blijkt uit de uitspraken van de Geschillencommissie van het Kifid dat een beroep op de klachtplicht soms nog wordt toegewezen, maar dat het merendeel strandt op het ontbreken van nadeel bij de financieel dienstverlener als gevolg van het te late klagen.

A. Klachtplicht

Bij het Kifid, zoals ook wel eens eerder in deze nieuwsbrief gememoreerd, wordt meer regelmatig een beroep op de klachtplicht ex artikel 6:89 BW toegewezen dan in de overheidsrechtspraak. Ter illustratie in het afgelopen kwartaal (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 28 juni 2016, nr. 2016-284 (X/Friesland Zekerheden Maatschappij)):

Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het koersverlies zich in 2008/2009 heeft gerealiseerd, de portefeuille reeds in 2009 in beheer is gegeven aan een andere instelling en dat vervolgens geruime tijd is verstreken, voordat Consument in 2012 een klacht bij haar heeft ingediend. Consument heeft ter zitting toegelicht dat hij om persoonlijke redenen heeft gewacht met het voorleggen van zijn klacht aan Aangeslotene. Aangeslotene stelt zich op het standpunt dat zij door dit tijdsverlies nadeel heeft ondervonden; omdat de adviesrelatie al ruim drie jaar was beëindigd ten tijde van het indienen van de klacht, is het volledige dossier niet meer voorhanden en bovendien zijn de destijds betrokken medewerkers inmiddels niet meer bij haar in dienst. De Commissie is van oordeel dat Consument zonder gegronde reden te veel tijd heeft laten verstrijken voordat hij zijn klacht aan Aangeslotene heeft voorgelegd en daarom niet heeft voldaan aan zijn plicht tijdig te klagen conform het vereiste van art. 6:89 BW. Voorts is voldoende aannemelijk dat Aangeslotene door dit tijdsverloop is benadeeld, zodat dit verweer slaagt en de Commissie niet toekomt aan een verdere beoordeling van de klacht.

Bij het Kifid gaat een beroep op artikel 6:89 BW structureel mis indien de financiële instelling het geleden nadeel als gevolg van te laat klagen niet aannemelijk maakt of kan maken. Ter illustratie in het tweede kwartaal van 2016:

– Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 27 juni 2016, nr. 2016-283 (X/Today’s Beheer & Brokers): “Today’s heeft echter niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja in welk opzicht zij als gevolg van dit tijdsverloop enig nadeel heeft geleden. Dit betekent dat het beroep op artikel 6:89 BW onvoldoende is onderbouwd en zal worden afgewezen.” 

– Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 21 juni 2016, nr. 2016-276 (X/De Waerdt Vermogensbeheer): “Dit brengt mee dat het beroep op artikel 6:89 BW in dit geval wordt verworpen, nu Vermogensbeheerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nadeel heeft geleden door het feit dat Consument eerst op 11 september 2015 de klacht zou hebben ingediend.” 

– Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 16 juni 2016, nr. 2016-264 (X c.s./Rabobank Haarlem): “Die stelling kan slechts slagen indien aannemelijk is dat de Bank door het tijdsverloop een onevenredig nadeel heeft ondervonden (vergelijk HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, NJ 2014/497). Van zodanig door de Bank ondervonden nadeel is onvoldoende gebleken.” 

B. Verjaring

De rechtbank Midden-Nederland heeft ten aanzien van de vraag of een verhoging van de opslag door de bank bij een renteswap ook gedekt was door de renteswap en of X Investments de renteswapovereenkomst op grond van dwaling kon vernietigen, geoordeeld dat deze dwalingsvordering was verjaard (Rb. Midden-Nederland 25 mei 2016 (gepubliceerd op 13 juni 2016), ECLI:NL:RBMNE:2016:2662 (X Investments/SNS Bank)). X Investments wist uiterlijk begin september 2008 dat een eventuele verhoging van de opslag niet werd gedekt door de renteswaps. Dit brengt mee dat X Investments toen ook wist dat SNS Bank had nagelaten haar op dit risico te wijzen. Uitgaande van de juistheid van de stelling van X Investments dat zij SNS Bank voorafgaand aan het sluiten van de renteswapovereenkomsten duidelijk heeft gemaakt dat zij zekerheid verlangde met betrekking tot haar rentelasten, wist X Investments begin september 2008 dus ook dat SNS Bank haar informatieplicht (met het oog op haar beroep op dwaling) respectievelijk haar waarschuwingsplicht (zorgplicht) had geschonden. Voorts had X Investments vanaf begin september 2008 wetenschap van haar schade, bestaande uit de verhoging van de opslag. De verjaringstermijn voor de rechtsvorderingen tot vernietiging van de renteswapovereenkomsten op grond van dwaling (3 jaar) en tot vergoeding van schade wegens (veronderstelde) schending door SNS Bank van haar zorgplicht (5 jaar) is dus begin september 2008 gaan lopen. Deze vorderingen zijn niet tijdig gestuit. 

De rechtbank Rotterdam was snel klaar met een verjaringsverweer (Rb. Rotterdam 16 maart 2016 (gepubliceerd 1 april 2016), ECLI:NL:RBROT:2016:1769 (Rabobank/X)). Het betrof een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van een schending van de zorgplicht. Begin 2010 is er geklaagd en eerst op 9 juni 2015 is een dagvaarding uitgebracht en daarmee is de vordering tardief. De verjaringstermijn van 5 jaar is verstreken. 

De rechtbank Overijssel heeft nog eens bevestigd dat (na het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 (X/Dexia)) (Rb. Overijssel 24 mei 2016 (gepubliceerd op 31 mei 2016), ECLI:NL:RBOVE:2016:1850 (Dexia/X c.s.)):  

– de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW en ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit; 

– een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in 1. die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. 

De rechtbank overweegt dat het moment van beëindiging van de collectieve actie 25 januari 2007 is (verbindendverklaring door hof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). In het andere geval, indien een eerdere datum wordt gekozen (bijvoorbeeld het sluiten van de WCAM-overeenkomst), zou de effectieve en efficiënte rechtsbescherming van de belanghebbende geweld worden aangedaan.