Q4 Vermogensbeheer

Written on 12 Feb 2016

De jurisprudentie die is gepubliceerd in het afgelopen kwartaal over vermogensbeheer, concentreert zich voornamelijk op perikelen rondom de vaststelling van klant- of risicoprofielen.

Voor aanvang van een vermogensbeheerrelatie moet er onderzoek worden gedaan naar de klant (art. 4:23 Wft; HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4914 (Rabobank Vaart en Vecht/X)). Aspecten waarnaar onderzoek gedaan moet worden zijn onder andere de beleggingsdoelstelling en de risicobereidheid van de klant.

Als een klant klaagt dat zijn risicoprofiel niet voldoet aan zijn beleggingsdoelstelling, maar uit de omschrijving van het risicoprofiel volgt dat dit wel het geval is, dan klaagt de klant uiteraard onterecht (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 24 november 2015, nr. 2015-351 (X/Ostrica), r.o. 4.3).

Echter, als de beleggingsdoelstelling die de klant te kennen geeft onrealistisch is en afwijkt van het risicoprofiel dat de vermogensbeheerder wil vaststellen, dan moet de vermogensbeheer ingrijpen. Een klant die een hoog rendement wil behalen, moet door de vermogensbeheerder ervoor worden gewaarschuwd dat de klant risico loopt door van het risicoprofiel af te wijken (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 8 december 2015, nr. 2015-374 (X/ABN AMRO), ro. 4.9).

Een klant die adviezen van zijn vermogensbeheerder om defensiever te gaan beleggen in de wind slaat, zal zijn vermogensbeheerder niet snel kunnen aanspreken omdat te offensief is belegd. De rechtbank Amsterdam overweegt in dit kader dat van een vermogensbeheerder niet kan worden verlangd dat de vermogensbeheerder zelf het risicoprofiel aanpast (Rb. Amsterdam 25 november 2015 (gepubliceerd op 9 december 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:8577 (X/Theodoor Gilissen Bankiers), r.o. 4.5).

Het is niet altijd meer mogelijk om te achterhalen of het risicoprofiel op juiste wijze is vastgesteld. Als het vaststellen lang geleden heeft plaatsgevonden en niet meer kan worden vastgesteld of dit op juiste wijze is gebeurd, dan kan het tijdverloop een verweermiddel zijn voor een vermogensbeheerder. De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening overweegt dat de omstandigheid dat de wijze van het vaststellen van het risicoprofiel in 2000 niet meer achterhaald kan worden, niet voor rekening van de vermogensbeheerder komt omdat de wettelijke bewaartermijn van zeven jaar is verstreken (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 8 december 2015, nr. 2015-374 (X/ABN AMRO), r.o. 4.7).