Q4 Beleggingsadvies

Written on 12 Feb 2016

In de jurisprudentie die is gepubliceerd in het afgelopen kwartaal op het gebied van beleggingsadvies, komen onder andere de volgende onderwerpen aan bod:

A. de inrichting van beleggingsportefeuilles,

B. de waarschuwingsplicht voor perpetuele obligaties, en

C. het aanbieden van passende dienstverlening.

A. De inrichting van beleggingsportefeuilles

In de jurisprudentie die het afgelopen kwartaal is gepubliceerd, is door ontevreden klanten van beleggingsadviseurs veel de stelling ingenomen dat een onjuiste inrichting van hun beleggingsportefeuille is geadviseerd.

Als een klant wil dat dit verwijt hout snijdt, dan moet de klant zijn stelling goed onderbouwen. Bijvoorbeeld een algemene stelling dat een beleggingsportefeuille die voor het overgrote deel uit aandelen bestaat nooit bij een neutraal profiel past, is niet voldoende specifiek om tot een fout van de beleggingsadviseur te kunnen concluderen (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 20 oktober 2015, nr. 2015-302 (X/Friesland Bank), r.o. 4.5). Ook de algemene stelling dat sprake zou zijn van een fout van de beleggingsadviseur omdat perpetuele obligaties zijn geadviseerd in een zeer defensieve portefeuille, wordt niet gehonoreerd (Hof Amsterdam 1 december 2015 (gepubliceerd op 14 december 2015), ECLI:NL:GHAMS:2015:5073 (De Nederlandse Boekenbon c.s./ING Bank), r.o. 3.14).

Een beleggingsadviseur moet onderzoek doen naar onder andere de risicobereidheid van een klant en zijn beleggingsdoelstelling (vgl. Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 6 november 2015, nr. 2015-325 (X/WorldWideBroker)). Als een risicoprofiel is vastgesteld, moeten de adviezen binnen dat profiel passen. In dit kader is het veelal raadzaam om voldoende spreiding aan te brengen in een beleggingsportefeuille. Een portefeuille die onvoldoende spreiding kent door het advies van een beleggingsadviseur om een groot deel van het belegde vermogen te beleggen in een vastgoedfonds, kan niet door de beugel (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 18 december 2015, nr. 2015-395 (X/WorldWideBroker), r.o. 4.3).

Het advies van een beleggingsadviseur om putopties te schrijven, hoewel de financiële positie van de klant al sterk verslechterd was, is een advies dat een redelijk handelend beleggingsadviseur niet mag geven (Commissie van Beroep 27 oktober 2015, nr. 2015-034 (X/ING Bank), r.o. 4.21 en 4.22). Daarentegen hoeven koersverliezen geen aanleiding te zijn voor een beleggingsadviseur om actie te ondernemen (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 24 november 2015, nr. 2015-350 (X/Rabobank Utrecht), r.o. 4.4).

B. Waarschuwingsplicht voor perpetuele obligaties

Het is niet ongebruikelijk dat klanten klagen over de advisering van perpetuele obligaties (zie bijvoorbeeld Hof Den Bosch 28 juli 2015 (gepubliceerd op 30 juli 2015), ECLI:NL:GHSHE:2015:2882 (Van Lanschot/X Beheer); Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 21 april 2015, nr. 2015-117 (X/ING Bank); Hof Amsterdam 16 december 2014 (gepubliceerd op 29 april 2015), ECLI:NL:GHAMS:2014:5448 (Wilgenhaege Vermogensbeheer/Holding L’Ortije c.s.). Het is geen gegeven dat deze klachten over perpetuele obligaties slagen en tot aansprakelijkheid van een beleggingsadviseur leiden. Recent heeft de Geschillencommissie bijvoorbeeld overwogen dat het aanhouden van perpetuele obligaties in een defensieve portefeuille in beginsel mogelijk is (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 15 december 2015, nr. 2015-385 (X/ABN AMRO), r.o. 4.3).

Klachten over perpetuele obligaties spitsen zich veelal toe op de vraag of voldoende informatie is verstrekt over perpetuele obligaties en of voldoende is gewaarschuwd. Het hof Amsterdam overweegt in dit kader dat in de periode 2005-2007 niet hoefde te worden gewaarschuwd voor het achtergestelde karakter van perpetuele obligaties die zijn uitgegeven door financiële instellingen met een goede credit rating. Het risico op faillissement van financiële instellingen met een goede credit rating werd in die periode niet reëel geacht (Hof Amsterdam 1 december 2015 (gepubliceerd op 14 december 2015), ECLI:NL:GHAMS:2015:5073 (De Nederlandse Boekenbon c.s./ING Bank), r.o. 3.15). De Commissie van Beroep heeft overwogen dat niet gesproken kan worden van een onjuist advies om perpetuele obligaties te kopen, als dit advies is gegeven in de periode 2004-2009 (Commissie van Beroep 8 december 2015, nr. 2015-039 (X/Het Haags Effektenkantoor), r.o. 4.11). Echter, als voor een te groot deel is belegd in perpetuele obligaties door een klant met een zeer defensief profiel, dan moet de beleggingsadviseur waarschuwen voor de onevenwichtigheid in de portefeuille. Dit heeft het hof Amsterdam al in 2013 overwogen, in een uitspraak die recent is gepubliceerd (Hof Amsterdam 12 november 2013 (gepubliceerd op 13 november 2015), ECLI:NL:GHAMS:2015:5271 (X c.s./Merrill Lynch International Bank), r.o. 2.8).

C. Aanbieden van passende dienstverlening

Indien een beleggingsadviseur signalen krijgt van de klant dat de klant niet goed zijn eigen beleggingsbeslissingen kan nemen, kan de beleggingsadviseur gehouden zijn om maatregelen te nemen om een andere vorm van dienstverlening aan te bieden dan beleggingsadvies (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 22 oktober 2015, nr. 2015-306 (X/Rabobank Weerterland en Cranendonck), r.o. 4.2).