Q3 Opzegging kredietrelaties

Written on 6 Nov 2015

Het afgelopen kwartaal lijken de rechtbanken en gerechtshoven steeds het juiste toetsingskader voor de opzegging van een kredietrelatie toe te passen: ING Bank/De Keijzer is uitgangspunt, waarbij de zorgplicht ex artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden en de criteria uit Rabobank/Aarding invulling kunnen geven aan de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW (kort gezegd: de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid). Desalniettemin heeft Rabobank twee maal bakzeil moeten halen. In het eerste geval heeft Rabobank het zichzelf wel heel lastig gemaakt door na kredietopzegging aanvankelijk een termijn van twee jaar te geven voor herfinanciering, maar daarna deze termijn te verkorten naar zes maanden. Dat is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, hoewel de klant deelnemer was aan het executieveilingenkartel. Dat laatste had ook kunnen maken dat de rechtbank anders zou hebben beslist. Indien Rabobank van meet af aan zes maanden tijd voor herfinanciering had gegeven, was het waarschijnlijk ook goed afgelopen. In het tweede geval is er onhandig geprocedeerd door niet de juiste opzeggingsgrond aan te voeren en te laat beroep te doen op een valide opzeggingsgrond.

A. Juist toetsingskader en rechtmatige kredietopzegging

In de zaak X/Van Lanschot (Hof ‘s-Hertogenbosch 18 augustus 2015 (gepubliceerd op 19 augustus 2015), ECLI:NL:GHSHE:2015:3245) geeft het gerechtshof een mooie uiteenzetting van het toetsingskader. Het hof verwijst naar ING Bank/De Keijzer (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929) en overweegt dat aan de zorgplicht van artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden gewicht mag worden toegekend bij het toepassen van de maatstaf ex artikel 6:248 lid 2 BW. Ook de omstandigheden uit Rabobank/Aarding (Hof Arnhem 18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233) kunnen richting geven aan de beantwoording of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, maar deze omstandigheden zijn geen verplicht toetsingskader. Een vertrouwensbreuk die door de klant in het leven is geroepen, een onterecht creëren van een geschil over uitbreiding van de kredietfaciliteit door de klant en de wanprestatie van de klant door gelden om te leiden, maken dat de opzegging door Van Lanschot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

B. Onhandig procederen

Een staaltje minder florissant procederen geschiedde voor Rabobank in de zaak X/Rabobank (Rb. Rotterdam 16 juli 2015 (gepubliceerd op 20 juli 2015), ECLI:NL:RBROT:2015:5197). De bank wenste een financieringsovereenkomst deels voortijdig op te zeggen. De rechtbank verwijst met recht naar ING Bank/De Keijzer, verwijst Rabobank/Aarding naar de prullenbak en concludeert voorts dat in de Algemene Bankvoorwaarden een uitgebreide regeling is opgenomen inzake directe opeisbaarheid. Echter, de bank heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen dat een, en zo ja, welke van de opeisingsgronden van toepassing zijn in het onderhavige geval. De rechter geeft duidelijk te kennen dat zij in ieder geval niet zelf uit het zoekplaatje de juiste gronden gaat proberen te achterhalen, nog daargelaten dat de klant zich niet weet te verweren als niet duidelijk is welke gronden de bank aanvoert. Het beroep van de bank op een waardedaling van het onderpand is tardief, nu dit argument niet is aangewend bij de voortijdige opzegging, maar pas voor het eerst in de procedure.

C. Een verkorte termijn voor herfinanciering

In de zaak X. c.s./Rabobank Sneek-Zuidwest Friesland (Rb. Noord-Nederland 22 juli 2015 (gepubliceerd op 20 augustus 2015), ECLI:NL:RBNNE:2015:3637) delft Rabobank, hoe bizar ook, ook het onderspit. De klanten wensen geen medewerking te verlenen aan de overname de kredietovereenkomsten van Friesland Bank door Rabobank. Wegens het beëindigen van haar bankactiviteiten beëindigt Friesland Bank de kredietovereenkomsten, als gevolg waarvan de vordering opeisbaar is geworden. Deze vordering draagt zij over aan Rabobank. De kredietopzegging is rechtsgeldig. In mei/juni 2014 krijgen de klanten van Rabobank één tot twee jaar om hun financieringen elders onder te brengen. In september voert Rabobank een extra opzeggingsgrond aan voor de kredietopzegging, nu de klanten onderdeel uitmaakten van het executieveilingenkartel, maar Rabobank geeft de klanten twee jaar om elders financiering te regelen. In oktober 2014 beperkt Rabobank de periode voor de klanten om herfinanciering te regelen tot zes maanden. De klanten reageren flink kritisch en in zekere mate schofferend naar de bank, maar dat rechtvaardigt niet een bekorting van de termijn om herfinanciering te regelen. De nieuwe termijn van zes maanden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

D. Daling waarde onderpand

In de zaak Pax Intrantibus/Rabobank Amsterdam (Rechtbank Amsterdam 1 juli 2015, (gepubliceerd op 6 juli 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:4073) zegeviert Rabobank wel. In die zaak was het onderpand zodanig in waarde gedaald terwijl Pax weigerde af te lossen of aanvullende zekerheden te stellen. Met verwijzing naar ING Bank/De Keijzer en artikel 6:248 lid 2 BW, heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd en ook correct toegepast. Een beroep van Pax op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt niet.