Q2 Renteswaps

Written on 1 Aug 2016

Afgelopen kwartaal ligt de focus in de rechtspraak ten aanzien van renteswaps op de (on)mogelijkheden om op grond van de Euribor-manipulaties van werknemers van (onder meer) Rabobank Nederland renteswapovereenkomsten te vernietigen. Zowel de rechtbank Rotterdam als het gerechtshof Den Haag komen tot eensluidende conclusies: geen bedrog, geen dwaling en geen onrechtmatige daad van afzonderlijke Rabobank coöperaties op grond waarvan renteswapovereenkomsten kunnen worden vernietigd.

Voorts is in de jurisprudentie wederom de nodige aandacht voor de reikwijdte van de (bijzondere) zorgplicht: of deze nu alleen tussen particulieren en de bank of ook tussen de bank en een ondeskundige wederpartij (zoals een ondernemer) geldt en of deze zorgplicht verder kan reiken dan die uit de Wft voortvloeit.

A. Reikwijdte zorgplicht

De rechtbank Amsterdam heeft een mooi vonnis gewezen waarin het juridisch kader over de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht helder uiteen is gezet (Rb. Amsterdam 1 juni 2016 (gepubliceerd op 16 juni 2006), ECLI:NL:RBAMS:2016:3571 (X/ABN AMRO)): in het bijzonder is aardig dat de rechtbank maar weer eens opmerkt dat de reikwijdte van de zorgplicht mede afhankelijk is van de publiekrechtelijke regels en dat de zorgplicht niet alleen geldt in de relatie tussen een bank en een particulier, maar ook in de relatie tussen een bank en een ondeskundige wederpartij. De rechtbank oordeelde dat ABN AMRO met de verstrekte informatie de klant (niet zijnde een particulier) voldoende heeft geïnformeerd over de werking van de renteswap en de daaraan verbonden specifieke risico’s. Ook was de renteswap en de looptijd passend, nu de renteswap diende om het renterisico van de Euribor-lening te beperken, waarmee het risico op stijging van de variabele Euribor-rente werd afgedekt door deze rente te ruilen met een vaste rente.

B. Manipulatie Euribor

Interessant is dat het gerechtshof Den Haag zich heeft uitgelaten over de manipulatie van de Euribor door Rabobank en de (on)mogelijkheid om als gevolg daarvan renteswapovereenkomsten op grond van dwaling te vernietigen (Hof Den Haag 21 juni 2016 (gepubliceerd op 22 juni 2016), ECLI:NL:GHDHA:2016:1692 (Gerann c.s./Rabobank)):

Vaststaat dat de manipulatie van Euribor niet heeft plaatsgevonden binnen Rabobank Den Haag, maar door enkele medewerkers van Rabobank Nederland. Gesteld noch gebleken is dat de manipulatie plaatsvond in opdracht of met medeweten van Rabobank Nederland. Zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat de handelwijze van de medewerkers kan worden toegerekend aan Rabobank Nederland, betekent dit nog niet dat de manipulatie aan Rabobank Den Haag kan worden “toegerekend” en ook niet dat zij ten tijde van het afsluiten van de renteswaps bekend had behoren te zijn met de manipulatie en Gerann c.s. daarover had behoren in te lichten.

Ook opvallend is dat het gerechtshof overweegt:

Voor zover Gerann c.s. zouden willen betogen dat zij vanwege hun ondeskundigheid (min of meer) gelijk gesteld kunnen worden met particulieren waarvoor een bijzondere zorgplicht geldt, is dit betoog ongegrond. Van ondernemers kan worden verwacht dat zij op (meer) professionele wijze beslissingen nemen en zich zo nodig door derden laten adviseren bij het nemen van bedrijfsbeslissingen. (…) Anders dan Gerann c.s. aanvoeren, is het hof van oordeel dat er in de gegeven omstandigheden ten aanzien van Gerann geen (veel) verdergaande zorgplicht op de Rabobank rust dan uit de Wft voortvloeit. Uit de Wft volgt immers dat rechtspersonen met een bepaalde (grote) omvang worden geacht zelf de benodigde financiële beslissingen te nemen en zelf te kunnen inschatten wanneer zij daarvoor nader advies moeten vragen bij een financiële instelling.

Een en ander staat (wellicht iets te ongenuanceerd) haaks op de overwegingen van de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank Rotterdam motiveert wat ons betreft nog veel beter en meer uitgebreid dat de Euribor-manipulatie door Rabobank Nederland niet kan leiden tot bedrog of dwaling bij individuele Rabobank coöperaties (Rb. Rotterdam 16 maart 2016 (gepubliceerd op 1 april 2016), ECLI:NL:RBROT:2016:2396 (Flinter Shared Services/Rabobank)). In dit geval was Rabobank niet betrokken bij de manipulaties van werknemers van Rabobank Nederland en zijn er geen aanwijzingen dat Rabobank Rotterdam daarmee op enige wijze bekend is geworden. Ook kan het handelen van de medewerkers van Rabobank Nederland niet worden toegerekend aan Rabobank Rotterdam. Voorts kunnen de Euribor-manipulaties niet worden toegerekend aan Rabobank Nederland en kan Rabobank Rotterdam niet met Rabobank Nederland worden vereenzelvigd. Rabobank Nederland kan niet gezien worden als hulppersoon bij de uitvoering van verbintenissen uit de renteswapovereenkomsten en de manipulaties kunnen daarom niet op grond van art. 6:76 BW aan Rabobank Rotterdam worden toegerekend. De Euribor-manipulaties zijn niet in de uitoefening van het bedrijf van Rabobank Rotterdam gedaan. Daarom kunnen de manipulaties niet op grond van art. 6:171 BW aan Rabobank Rotterdam worden toegerekend.

Verder is gesteld noch gebleken dat de verkeerde veronderstelling ook voor Rabobank Rotterdam van belang was bij het aangaan van de swapovereenkomsten, reden waarom niet gezegd kan worden dat Rabobank Rotterdam ook heeft gedwaald en doet zich hier de situatie van art. 6:228 lid 1 sub c BW (wederzijdse dwaling) niet voor. Afsluitend overweegt de rechtbank dat er per saldo waarschijnlijk geen schade is gelegen omdat – onder meer – de Euribor zowel naar beneden als naar boven is gemanipuleerd.

C. Stichting Renteswapschadeclaim

Afsluitend is Stichting Renteswapschadeclaim in haar collectieve actie tegen alle afzonderlijke Rabobank coöperaties niet ontvankelijk verklaard (Rb. Oost-Brabant van 29 juni 2016 (gepubliceerd op 29 juni 2016), ECLI:NL:RBOBR:2016:3383 (Stichting Renteswapschadeclaim/ Rabobanken)), vanwege het feit dat (a) de belangen van de ondernemers waarvoor de rechtsvordering wordt ingesteld naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn gewaarborgd vanwege de achtergrond en inrichting van de Stichting, waarbij een maatschappelijke inbedding ontbreekt, commerciële motieven leidend lijken te zijn en de macht is geconcentreerd bij één persoon en (b) de vorderingen zoals die door de Stichting zijn geformuleerd niet strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen. Deze zaak heeft alle schijn van het ondeskundig een collectieve actie starten louter vanwege commerciële motieven, hetgeen van meet af aan gedoemd zou zijn te mislukken. Aangezien deze uitspraak louter ziet op de ontvankelijkheid in een collectieve actie, zal de inhoud niet verder worden toegelicht.