Q2 Renteswaps

Written on 9 Jul 2015

De renteswapuitspraken in het tweede kwartaal van 2015 laten een heel ander beeld zien dan voorheen. In geen van de vier uitspraken is een schending van de zorgplicht (en daaruit voortvloeiende wanprestatie of onrechtmatige daad) aangenomen. De rechtspraak is wel consistent in het afwijzen van een beroep op dwaling. Onze analyse is dat op het oog de feitencomplexen wel afwijken ten opzichte van eerste uitspraken, omdat de dossieropbouw en daarmee de informatieverstrekking en waarschuwingen beter gedocumenteerd zijn, waarmee de financiële instellingen kunnen aantonen dat zij de op hen rustende (bijzondere) zorgplicht niet hebben geschonden.

A. De zorgplicht: algemeen of bijzonder?

In de zaak Creative Industry Amsterdam/Rabobank Amsterdam (Rb. Amsterdam 22 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3657) ontwijkt de rechtbank of er een algemene of bijzondere zorgplicht op de bank rust. Zij spreekt slechts van de op de bank rustende zorgplicht. Rabobank zette steevast in alle correspondentie dat er geen adviesrelatie bestond, maar de feitelijke gedragingen wezen op het tegendeel. Nu de adviesrelatie is aangenomen, rust op Rabobank in dat kader ook een zorgplicht. In de andere hierna te bespreken uitspraken wordt ook geen kleur bekend ten aanzien van een algemene of bijzondere zorgplicht voor financiële instellingen, maar wordt er steevast omheen geschreven.

B. Wanprestatie (tekortkoming) en onrechtmatige daad

In de zaak X/ING Bank (Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3906), die op het eerste oog wat atypisch overkomt, overweegt de rechtbank dat na uitleg van de lenings- en swapovereenkomst er geen contractuele (of andere) basis is voor verhoging van de debetrenteopslag op de Euroflexlening. Hetgeen de klant heeft betaald uit hoofde van de verhoging van de opslag is dan ook onverschuldigd betaald. Uit de overeenkomst en andere stukken bleek simpelweg dat de rente en opslagen onderhandeld en gefixeerd waren, reden waarom een verhoging van de opslag niet door ING kon worden doorgevoerd.

In de zaak Creative Industry Amsterdam/Rabobank Amsterdam (Rb. Amsterdam 22 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3657) heeft Rabobank wel voldoende informatie verstrekt en is de saldibewakingsplicht van artikel 86 Bgfo niet geschonden. In dit geval zegeviert Rabobank, met dien verstande dat de beslaglegging door Rabobank ten laste van Creative Industry Amsterdam onrechtmatig is nu de stellingen in het beslagrekest in strijd met de waarheid zijn, iets dat heden ten dage na aanscherping van de Beslagsyllabus en jurisprudentie toch niet meer zou mogen gebeuren.

In de zaak X Beheer B.V./Rabobank IJmond (Rb. Noord-Holland 15 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3265) is er ook geen schending van de (bijzondere) zorgplicht. De inhoud van de door Rabobank verstuurde brieven spreken boekdelen. Dat X Beheer B.V. de relevante passages niet heeft gelezen, is voor haar rekening en risico.

C. Dwaling

Zoals ook in de vorige nieuwsbrief reeds opgemerkt, wordt in renteswapzaken steevast een beroep gedaan op dwaling, maar slaagt een dergelijk beroep niet. Ook in de zaak X/ING Bank (Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3906) werd een beroep op dwaling afgewezen. In de eerste plaats was de klant goed voorgelicht en in de tweede plaats had het op zijn weg gelegen om, alvorens de overeenkomsten aan te gaan, redelijke inspanningen te verrichten om de inhoud ervan te begrijpen om een eventuele verkeerde voorstelling te corrigeren of ten minste zijn voorstelling van zaken te toetsen of ter sprake te brengen. Nu de klant niet heeft gesteld dat hij dat heeft gedaan, moet een eventuele dwaling voor zijn rekening blijven. In de zaak X Beheer B.V./Rabobank IJmond (Rb. Noord-Holland 15 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:3265) was de rechtsvordering tot vernietiging op grond van dwaling (die slechts een korte verjaringstermijn van drie jaar na ontdekking kent) reeds verjaard.