Q2 Opzegging kredietovereenkomst

Written on 1 Aug 2016

Er is het tweede kwartaal van 2016 maar één relevante uitspraak gepubliceerd over de opzegging van kredietovereenkomsten, waarbij het juiste toetsingskader en belangenafweging is aangewend.

In een zaak van Rabobank Regio Schiphol overweegt de rechtbank Rotterdam dat de zorgplicht van Rabobank bij een reguliere kredietovereenkomst met overzichtelijke risico’s niet zo ver gaat dat Rabobank de kredietnemer ook nog eens zou moeten waarschuwen voor de financiële positie van een derde (tevens klant van Rabobank) met wie de kredietnemer een franchiseovereenkomst had gesloten (Rb. Rotterdam, 16 maart 2016 (gepubliceerd 1 april 2016), ECLI:NL:RBROT:2016:1769 (Rabobank Regio Schiphol/X c.s.)). De rechtbank gebruikt het juiste toetsingskader:

Vooropgesteld wordt dat Rabobank als kredietgever de verplichting had om [gedaagde in hoofdzaak/eiser in incident] als kredietnemer te informeren over de gevolgen van het aangaan van de financieringsovereenkomst en over de daaruit voor [gedaagde in hoofdzaak/eiser in incident] voortvloeiende risico’s. Deze zorgplicht strekt ertoe kredietnemers te beschermen tegen eigen lichtvaardigheid en gebrek aan inzicht. De omvang van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de deskundigheid en ervaring van de kredietnemer en de ingewikkeldheid en risico’s van het kredietproduct. Wanneer een kredietgever in zijn zorgplicht is tekortgeschoten, kan dat er onder meer toe leiden dat artikel 6:248 lid 2 BW aan toewijzing van de vordering tot (volledige) terugbetaling van het opgenomen krediet in de weg staat.

Rabobank heeft geen zorgplicht geschonden door ten tijde van of na het aangaan van de kredietovereenkomst:

niet te waarschuwen voor de financiële situatie van [de B.V.] of dat zij de kredietovereenkomst met [gedaagde in hoofdzaak/eiser in incident] niet had mogen afsluiten gelet op die financiële situatie. Daarbij is bovendien van belang dat het Rabobank, naar zij onbetwist heeft gesteld, niet vrijstond om deze informatie met [gedaagde in hoofdzaak/eiser in incident] te delen, omdat zij daarmee de privacy van [de B.V.] zou schenden.