Q1 Opzegging kredietrelaties

Written on 28 Apr 2015

De laatste maanden staat de opzegging van kredietfaciliteiten vol in de aandacht. Te beginnen bij het arrest ING/De Keijzer van de Hoge Raad (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929) en (voor het onderhavige kwartaalbericht) eindigend bij het rapport van de AFM over de werkwijze van de afdeling bijzonder beheer van banken en het opzeggen van kredietrelaties.

A. ING/De Keijzer

In ING/De Keijzer heeft de Hoge Raad de maatstaf gezet voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opzegging van een kredietfaciliteit; de opzegging moet worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en artikel 6:248 lid 2 BW (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid). Met andere woorden, indien de kredietovereenkomst voorziet in een opzegmogelijkheid mag de bank hiervan gebruik maken, tenzij dat gelet op de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Niet onbelangrijk:

a. bij de invulling van de norm “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” is van belang dat artikel 2 Algemene Bankvoorwaarden voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de klant rekening zal houden; en

b. als een kredietfaciliteit bestaat uit verschillende onderdelen (bijvoorbeeld meerdere kredieten), dan mag tussen die onderdelen onderscheid worden gemaakt bij de beoordeling of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De opzegging van het ene onderdeel kan dan onaanvaardbaar zijn, maar de opzegging van een ander onderdeel weer niet.

ING/De Keijzer heeft zodoende een einde gemaakt aan de norm die was geformuleerd in het arrest van gerechtshof Arnhem in Rabobank/Aarding (Hof Arnhem 18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233), hoewel zeker niet altijd gevolgd in lagere rechtspraak, waar de opzegging werd getoetst aan mildere normen: het aanwezig zijn van een voldoende zwaarwegend belang en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarin zou volgens de lagere rechtspraak de bijzondere zorgplicht van de bank uit hoofde van haar maatschappelijke functie doorwerken. Dit laatste betrof een evidente misslag nu een bijzondere zorgplicht in algemene zin tussen de bank en haar klanten niet bestaat.

De individuele toetsingsgronden uit Rabobank/Aarding kunnen vanzelfsprekend nog wel een rol spelen bij de toetsing aan de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW. De jurisprudentie zal echter uitwijzen dat de rechtmatigheid van de opzegging van een kredietfaciliteit veel vaker stand zal houden dan voorheen.

B. Lagere rechtspraak sinds ING/De Keijzer

Wat zijn ontwikkelingen in de lagere rechtspraak die is gepubliceerd sinds ING/De Keijzer?

FOUT

GOED

C. Belangen van achtergestelde crediteuren bij opzegging kredietovereenkomst

De rechtbank Amsterdam heeft afgelopen kwartaal onder meer de vraag beantwoord of de bank bij de opzegging van een kredietovereenkomst zich mede zou moeten laten leiden door de belangen van achtergestelde crediteuren (Rb. Amsterdam 28 januari 2015. ECLI:NL:RBAMS:2015:489, (Atropa c.s./ABN AMRO)). Er wordt verwezen naar het arrest Alog/Vleesmeester van de Hoge Raad van ruim tien jaar geleden (HR 24 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, r.o. 3.4). In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen:

“Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen.”

De rechtbank oordeelt, naar onze mening terecht, dat het enkele gegeven dat achtergestelde crediteuren nadeel lijden door het faillissement van de kredietnemers, zoals na de kredietopzegging voorzienbaar was, niet maakt dat de bank zich bij de opzegging van de kredietovereenkomst zonder meer de belangen van de achtergestelde crediteuren moest aantrekken.

D. AFM-rapport Bijzonder Beheer

En voor het goede gevoel, de AFM heeft in haar rapport van 26 maart 2015 “Een verkennend onderzoek naar de werkwijze van de afdeling bijzonder beheer van banken voor MKB kredieten” geconcludeerd dat over het algemeen kredietrelaties niet te snel worden opgezegd. Het oordeel van de AFM, dat op stevige kritiek van het MKB kan rekenen, luidt als volgt:

“De AFM heeft in het verkennend onderzoek niet gezien dat banken te snel overgaan tot overdracht van kredieten aan bijzonder beheer, het opzeggen van de kredietrelatie, of dat zij met maatregelen op faillissementen aansturen.”