Q1 Klachtplicht, verjaring & vervaltermijnen

Written on 29 Apr 2016

De klachtplicht zegeviert weer in het eerste kwartaal van 2016. Zowel Afab als ABN AMRO Bank hebben met succes artikel 6:89 BW in stelling gebracht.

Interessant blijft de bewijslastverdeling. De rechtbank Midden-Nederland volgt de Hoge Raad in de bewijslastverdeling ten aanzien van artikel 6:89 BW. De Hoge Raad heeft reeds overwogen dat: (a) wanneer een schuldenaar zich beroept op de rechtsgevolgen van de klachtplichtregeling van artikel 6:89 BW, (b) het op de weg ligt van de schuldeiser om te bewijzen dat en wanneer hij heeft geklaagd over gebreken in de prestatie en (c) het vervolgens aan de schuldenaar is om te bewijzen dat daarmee niet tijdig is geklaagd (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593 (Far Trading/Edco Eindhoven)). Deze bijzondere regel van bewijslastverdeling wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de klachtplichtregeling de strekking heeft de schuldenaar te beschermen. Als op de schuldenaar ook het bewijsrisico ter zake van de klacht zelf en het tijdstip daarvan zou rusten, zou aan deze strekking van de klachtplichtregeling te zeer afbreuk worden gedaan. Echter, de heel summiere motivering van Afab van het door haar geleden nadeel zou in veel andere gevallen verre van voldoende zijn geweest. De rechtbank Amsterdam vestigt nog eens de aandacht op de onderzoeksplicht van de schuldeiser onder artikel 6:89 BW.

Ten aanzien van de verjaring wordt weer eens bevestigd dat het om subjectieve bekendheid gaat en de huizencrisis op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de hypotheekgever hiermee wist dat voor hem een restschuld zou resteren.

A. Klachtplicht

Met betrekking tot het beroep van Afab op de gevolgen van artikel 6:89 BW overweegt de kantonrechter dat deze bepaling meebrengt dat de schuldeiser die een gebrekkige prestatie ontvangt, ter zake binnen bekwame tijd dient te protesteren, op straffe van verval van alle bevoegdheden (Rb. Midden-Nederland 17 februari 2016 (gepubliceerd op 4 maart 2016), ECLI:NL:RBMNE:2016:705 (X/Afab)). De ratio van het artikel is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, doordat hij erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt. De klachttermijn gaat lopen zodra de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken. De vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied, dient te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Van veel gewicht is of het belang van de schuldenaar is geschaad als gevolg van het verstrijken van de tijd totdat tegen de afwijking is geprotesteerd. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg/Rabobank Noord-Holland Noord)).

De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die een beroep op art. 6:89 BW kunnen dragen, rusten in beginsel op Afab. Zij dient voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit de aanvang van de termijn kan volgen, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop is geklaagd, in combinatie met de hiervoor genoemde te beschermen belangen van Afab als schuldenaar, dermate is dat niet kan worden gesproken van een tijdige klacht. Nu Afab een op artikel 6:89 BW gebaseerd verweer voert, geldt in zoverre een bijzondere regel van bewijslastverdeling in de zin van artikel 150 Rv dat het op de weg van de klant ligt om gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk tijdstip hij heeft geklaagd, omdat de in dit verband relevante feiten vooral liggen in zijn domein. Afab stelt gemotiveerd dat zij is benadeeld als gevolg van het tijdsverloop tussen het moment van bekendheid van de klant met het veronderstelde gebrek en het moment waarop hij hierover voor het eerst heeft geklaagd (volgens Afab bij dagvaarding). Zo is haar de mogelijkheid ontnomen eventueel schadebeperkende maatregelen te nemen en is haar bewijspositie door uiteenlopende omstandigheden, waaronder een korte wettelijke bewaarplicht, in de tussentijd ernstig verslechterd, aldus Afab. Dit is wel een hele summiere motivering van Afab, die in veel andere gevallen zeker niet een succesvol beroep op artikel 6:89 BW rechtvaardigt. Het beroep van Afab op de klachtplicht slaagt hier wel.

De rechtbank Amsterdam heeft in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad overwogen dat in financiële adviesrelaties artikel 6:89 BW terughoudend dient te worden toegepast (Rb. Amsterdam 13 januari 2016 (gepubliceerd op 19 januari 2016), ECLI:NL:RBAMS:2016:135 (Production Partners/ABN AMRO & Deutsche Bank)). Dit betekent dat in het onderhavige geval, gelet op de aard van de dienstverlening waarbij de bank als adviserende partij bij uitstek deskundig is en bij haar advisering de haar betamende zorg in acht dient te nemen, terwijl Production Partners in beginsel op dit deskundige advies mag afgaan, niet snel kan worden aangenomen dat de Production Partners bekend was althans behoorde te zijn met gebreken in het financieel advies, en daarover niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 6:89 BW. Deze klacht is immers eerst ruim vier jaar nadat Production Partners het (vermeende) gebrek in de advisering had ontdekt, althans moeten ontdekken, door de bank ontvangen. In dit geval staat (onbetwist) vast dat de bank nadeel ondervindt van het late klagen (door de overdracht van het dossier van Production Partners door ABN Amro aan Deutsche Bank), zodat zij ook een rechtmatig belang heeft bij haar beroep op artikel 6:89 BW.

Belangrijker is evenwel dat de schuldeiser (in dit geval Production Partners) op grond van artikel 6:89 BW ook een onderzoeksplicht heeft. In het onderhavige geval bestond het nadeel dat Production Partners leed uit de in rekening gebrachte beëindigingsvergoeding van EUR 159.775. Uitgaande van de stelling van Production Partners dat een dergelijke beëindigingsvergoeding in het geheel niet in rekening had mogen worden gebracht, althans dat zij niet begreep dat deze in rekening werd gebracht omdat zij meende ‘boetevrij’ te kunnen aflossen bij verkoop van het bedrijfspand, had het in rekening brengen van dit bedrag voor Production Partners in ieder geval aanleiding moeten zijn om nader onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door het inschakelen van een advocaat, zoals zij uiteindelijk in de zomer van 2013 wel heeft gedaan.

B. Verjaring

Door Rabobank is betoogd dat er sprake is van verjaring van de vorderingen. Zij heeft aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat de klant reeds op 15 juni 2009 bekend was met de crisis en met het als gevolg van die crisis dalen van de huizenprijzen. Reeds op dat moment was de klant er derhalve mee bekend dat (mogelijk) een restschuld zou overblijven die door hem zou (kunnen) worden aangeduid als schade. De klant was dus toen al bekend met een eventuele tekortkoming van de Rabobank en met mogelijke schade, zodat hij tijdig actie had moeten ondernemen in de richting van de Rabobank. Nu de klant Rabobank pas in 2015 in rechte heeft betrokken, is zijn vorderingsrecht verjaard, aldus Rabobank. De klant heeft erop gewezen dat partijen in de jaren na 2009 veelvuldig contact hebben gehad over mogelijke oplossingen en/of betalingsregelingen. Pas in november 2012 stond de restschuld vast en was de klant bekend met de omvang van de schade. Van de klant kon niet worden verwacht dat hij de Rabobank reeds voor die tijd in rechte zou betrekken. De rechtbank honoreert het verweer van de klant tegen de verjaring (Rb. Noord-Holland 30 maart 2016 (gepubliceerd op 31 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2559 (X/Rabobank)).