Group actions

Procesfinanciering in collectieve acties onder de WAMCA

Gepubliceerd op 28th May 2026

WAMCA – De procesfinanciering 

Deze Insight is onderdeel van de serie: Navigating Dutch Class Actions (WAMCA). Lees onze eerste publicaties hier:

Een belangrijk onderwerp onder de WAMCA is de financiering van die procedures. In deze Insight bespreken wij de rol van procesfinanciering door derden, de wettelijke vereisten op het gebied van ontvankelijkheid in dit kader, de wijze waarop de rechter de financieringsconstructie toetst en de grenzen die gelden ten aanzien van zeggenschap, onafhankelijkheid en beloning.

beeld

De rol van procesfinanciering in collectieve acties

De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie ("WAMCA") biedt benadeelden de mogelijkheid om gezamenlijk schade te verhalen via een collectieve actie. Deze collectieve acties kunnen gefinancierd worden door de belangenorganisatie zelf die de vordering instelt. In de praktijk beschikken stichtingen en verenigingen echter vaak niet over toereikende eigen middelen. Financiering via de achterban – bijvoorbeeld door middel van eigen bijdragen bij aanmelding of lidmaatschapsgelden – levert vaak onvoldoende op om de kosten van een omvangrijke WAMCA procedure te dragen. Daar komt bij dat Nederlandse advocaten in beginsel niet volledig op basis van een succes vergoeding mogen werken, hetgeen de mogelijkheden om de kosten van een WAMCA procedure te dragen verder beperkt.

Bij Third Party Litigation Funding ("TPLF"), financiert een externe partij de procedure, niet de belangenorganisatie of de benadeelden zelf. In ruil daarvoor maakt de financier aanspraak op een deel van de uiteindelijke opbrengst van de procedure. Enerzijds vergroot dit de toegang tot de rechter: procespartijen kunnen procedures (voor)financieren die de belangenorganisaties anders niet zouden kunnen bekostigen. Anderzijds kleven hier risico's aan. Een te ruime beschikbaarheid van financieringsmogelijkheden kan leiden tot excessief procederen en tot situaties waarin gedupeerden nauwelijks kunnen profiteren van het resultaat van een collectieve actie. Het doel van de procesfinancier zal voornamelijk gericht zijn op het maximaliseren van de winst, wat niet altijd strookt met de belangen van de achterban. Daarom acht de wetgever het ook van belang om het evenwicht te bewaken tussen het waarborgen van toegang tot de rechter en het voorkomen van een ongewenste claimcultuur.

Wettelijke vereisten: voldoende middelen en zeggenschap

Onder de WAMCA gelden financiering en zeggenschap als materiële ontvankelijkheidseisen. In de wet is dit als volgt geformuleerd: "de belangenorganisatie moet beschikken over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt." Voldoet een belangenorganisatie niet aan de gestelde vereisten, dan leidt dat in beginsel tot niet-ontvankelijkheid. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat rechters in sommige gevallen bereid zijn de belangenorganisatie alsnog in de gelegenheid te stellen aan de wettelijke vereisten te voldoen, en haar daarom de kans te geven de financieringsovereenkomst aan te passen, wanneer de financieringsovereenkomst niet meteen voldoet.

De wettelijke eisen ten aanzien van de financiering zijn mede ingegeven door de Europese Richtlijn betreffende Representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen, waarin het Europeesrechtelijk kader is neergelegd waaronder consumenten via belangenorganisaties collectief voor hun rechten kunnen opkomen. Wanneer een procedure onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, geldt op grond daarvan – en van de implementatie in het Nederlandse recht – onder meer dat een procesfinancier geen collectieve actie mag financieren tegen een concurrent of tegen een partij waarvan de financier afhankelijk is.

Rechterlijke toetsing van de financieringsconstructie

In het algemeen geldt dat de rechter dient te toetsen of de belangenorganisatie beschikt over voldoende financiële middelen om de procedure te voeren. Dit is van belang zodat kan worden voorkomen dat bijvoorbeeld een in het ongelijk gestelde organisatie de proceskosten van de wederpartij niet kan voldoen, of dat advocaten zich onttrekken wegens onbetaalde facturen. Daarnaast zal de rechter toetsen of de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt. 

De rechter toetst de financiering ambtshalve, dat wil zeggen: ook zonder dat een van de partijen daarom verzoekt. De toetsing is marginaal van aard. Het is voldoende dat de belangenorganisatie aantoont dat zij op het moment van toetsing over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te voeren. De rechter kan zo nodig inzage vragen in de boeken van de organisatie, eventueel via een door hem aangewezen derde. De rechter kan het ook noodzakelijk achten dat de belangenorganisatie de financieringsovereenkomst in het geding brengt. 

Inzage in de financieringsovereenkomst

Zo oordeelde de rechtbank Amsterdam in een procedure tussen de belangenorganisaties SDEJ en Car Claim enerzijds en Mercedes en haar (zaken)partners anderzijds, dat SDEJ en Car Claim hun procesfinancieringsovereenkomsten integraal – inclusief bijlagen, met uitzondering van bijlagen over de relatie met hun advocaat – en zonder onleesbaar gemaakte passages aan de rechtbank moesten overleggen, onder gelijktijdige bevestiging dat daarmee alle afspraken met de financiers waren verstrekt. Aan Mercedes en de partners moesten afschriften van deze overeenkomsten worden verstrekt, waarbij SDEJ en Car Claim uitsluitend het voor ieder van hen beschikbare budget onleesbaar mochten maken. Andere commercieel gevoelige informatie mocht niet worden weggelakt, nu niet was toegelicht waarom het overleggen daarvan afbreuk zou doen aan hun positie.

In een procedure tussen belangenorganisaties en onder meer Google c.s. oordeelde de rechtbank Amsterdam dat zij aanleiding zag om de financieringsovereenkomst met de procesfinancier over te laten leggen. Partijen kregen in dit kader de mogelijkheid om zich over verschillende onderwerpen uit te laten. Zo moesten de belangenorganisaties (gemotiveerd) aangeven of zij bereid waren deze overeenkomst volledig te delen met zowel de rechtbank als de wederpartij (Google c.s.), of dat zij zich zouden beroepen op een wettelijke mogelijkheid om (delen van) een document niet in het procesdossier te laten opnemen, bijvoorbeeld vanwege vertrouwelijkheid. Google c.s. mocht hier vervolgens op reageren. Daarna zou de rechtbank bepalen of de financieringsovereenkomsten in het dossier zouden komen waar beide partijen kennis van zouden kunnen nemen, of dat alleen de rechtbank de inhoud te zien zou krijgen. De rechtbank heeft uiteindelijk geoordeeld dat de eiseressen de financieringsovereenkomst met hun procesfinancier over moesten leggen aan de rechtbank en aan Google c.s. (waarbij het budget mocht worden weggelakt).

Belangenorganisaties hoeven hun financieringsovereenkomst niet in alle gevallen over te leggen. In de procedure tussen BCW en Allergan c.s. (betreffende borstimplantaten) oordeelde de rechtbank Amsterdam dat BCW al voldoende had toegelicht dat zij beschikte over de noodzakelijke deskundigheid en ervaring om een dergelijke procedure te voeren, dat zij een gedegen bestuursstructuur had en dat haar bestuur onafhankelijk was van de procesfinancier. Bovendien lag de zeggenschap over de proces- en schikkingsstrategie uitsluitend bij BCW zelf, zodat de belangen van de achterban volgens de rechtbank voldoende waren gewaarborgd. In dat licht achtte de rechtbank het niet noodzakelijk inzage in de financieringsovereenkomst te verkrijgen.

Relevante factoren voor de rechterlijke toetsing van de financieringsconstructie 

De centrale vraag die zich voordoet is of de financieringsovereenkomst niet in de weg staat aan een zorgvuldige behartiging van de belangen van de benadeelden. Bij die beoordeling zijn alle omstandigheden van het geval beslissend. Relevante factoren zijn onder meer:

  1. of aan de belangenorganisatie of aan de procesfinancier een 'disproportionele of buitensporige vergoeding' is toegekend; 
  2. of de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van de belangenorganisatie voldoende contractueel zijn verankerd;
  3. of uitsluitend de belangenorganisatie de proces- en schikkingsstrategie vaststelt;
  4. in hoeverre de procesfinancier (beslissende) invloed kan uitoefenen op de in te dienen processtukken; en
  5. of de advocaten aantoonbaar onafhankelijk zijn van de procesfinancier en uitsluitend handelen op instructie van het bestuur van de belangenorganisatie.

Ten aanzien van de eerste factor merken we het volgende op. Een terugkerend vraagstuk is wat een redelijke vergoeding voor de procesfinancier is. Bij de beoordeling daarvan spelen verschillende factoren een rol, waaronder de aard en omvang van de gemaakte kosten, het doel van de vergoeding, de genomen risico's, een vergelijking met gebruikelijke marktvergoedingen, de omvang van het schikkingsbedrag of de uitkering, de aard en omvang van de schade van individuele benadeelden, en de vraag of de benadeelden consumenten of bedrijven zijn. De rechter zal nagaan of aan de procesfinancier geen disproportionele of buitensporige vergoeding is toegekend. In aanvulling op afspraken die zien op de vergoeding van een (deel) van de (proces)kosten gemaakt door de procesfinancier, kunnen partijen ook afspraken maken over een succesvergoeding. In  de rechtspraak wordt verschillende keren een bandbreedte van circa 10% tot 25% van de schadevergoeding genoemd als een in beginsel aanvaardbare succesvergoeding voor de procesfinancier.

Een vraag die samenhangt met de redelijke vergoeding is de vraag wie de beloning van de procesfinancier uiteindelijk draagt: gaat die ten koste van de uitkering aan de achterban, of kan die voor rekening van de gedaagde komen? Er zijn juridische aanknopingspunten om de succesvergoeding voor rekening van de gedaagde te laten komen, al is dit vraagstuk nog niet uitgekristalliseerd in de rechtspraak.

De overige bovenstaande factoren, houden verband met de vraag wie zeggenschap heeft over de rechtsvordering. Zo is het niet de bedoeling dat de financieringsconstructie aan een zorgvuldige belangenbehartiging in de weg staat, omdat bijvoorbeeld de financier volledige beslismacht krijgt over het instemmen met een eventueel schikkingsvoorstel. Als de stichting of vereniging de procedure volledig zelf financiert, zal het zeggenschapsvereiste in de praktijk zelden problemen opleveren. Bij TPLF kan echter een spanningsveld ontstaan, met name wanneer de leden van het bestuur of de raad van toezicht niet aantoonbaar onafhankelijk zijn van de procesfinancier.

Bij de rechterlijke toetsing van de financieringsconstructie komt mede betekenis toe aan de in Nederland in 2011 ontwikkelde Claimcode. De Claimcode is een vorm van zelfregulering, ontwikkeld op initiatief van specialisten op het gebied van collectieve acties, en kan door de rechter worden gebruikt als aanwijzing om vast te stellen of de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd. In 2019 is de Claimcode herzien en aangevuld, in het bijzonder met voorschriften voor externe financiering. De Claimcode bevat onder meer regels over de samenstelling, taak en beloning van het bestuur en de taak en samenstelling van een raad van toezicht, alsmede regels over het behartigen van collectieve belangen zonder winstoogmerk, onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstellingen.

Bewijslastverdeling

De belangenorganisatie moet stellen en onderbouwen dat aan het ontvankelijkheidsvereiste van zeggenschap en onafhankelijkheid is voldaan. De gedaagde kan dit betwisten, maar mag daarbij niet volstaan met de enkele bewering dat de organisatie 'een instrument van de procesfinancier' is. Van de gedaagde worden voldoende concrete gegevens verwacht waaruit blijkt dat de onafhankelijkheid van de belangenorganisatie daadwerkelijk in het geding is.

Voorbeeld onvoldoende onafhankelijke belangenorganisatie 

Door het hof Den Haag werd geoordeeld dat de belangenorganisatie onder meer niet voldoende onafhankelijk kon optreden los van de partijen die zorgden voor de financiering. Volgens het hof lag de zeggenschap niet in voldoende mate bij de belangenorganisatie en haar achterban, omdat commerciële partijen die de procedure (mee) financieren, meedelen in de opbrengst en daarmee een eigen financieel belang hebben. Via de financierings- en dienstverleningsovereenkomsten hadden deze partijen ruime rechten om over de hele linie geïnformeerd en geraadpleegd te worden, ook over de processtrategie en over eventuele schikkingen. In de praktijk verrichten zij vrijwel alle feitelijke werkzaamheden en zijn zij de 'drijvende krachten' achter de zaak, terwijl de belangenorganisatie zelf vooral als juridisch vehikel fungeerde.

Afsluiting

De externe procesfinanciering is in veel WAMCA-zaken onmisbaar om partijen daadwerkelijk toegang te geven tot de rechter. Daar staat tegenover dat zo'n financier ook een eigen commercieel belang heeft, dat kan botsen met het belang van de achterban. In de WAMCA zijn er daarom verschillende waarborgen opgenomen die moeten zorgen voor een goed evenwicht tussen de toegang tot het recht en bescherming van de achterban. In de volgende Insight staan we stil bij de vraag hoe collectieve acties onder de WAMCA daadwerkelijk worden afgewikkeld. 

 

  1.  Rb. Den Haag 26 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22546, r.o. 4.7. 
  2.  M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 98.
  3. Kamerstukken II, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 11. 
  4. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 97. 
  5. Kamerstukken II, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 11. 
  6. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 98.
  7.  Artikel 3:305a BW. 
  8. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 10 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:83, r.o. 2.2. e.v.  
  9. Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG. 
  10. Dit verbod is vastgelegd in artikel 3:305a lid 2, onderdeel f BW. Jongbloed in: GS Vermogensrecht, art. 3:305a BW, aant. 24.
  11. Jongbloed in: GS Vermogensrecht, art. 3:305a BW, aant. 21.1.
  12. J.W. Leedekerken & E.A.J. Schoenmakers, 'Het veranderde speelveld voor procesfinanciering, MvV 2023, afl. 6, p. 228. 
  13.  Rb. Amsterdam 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7489, r.o. 7.3. 
  14. SDEJ staat voor Stichting Diesel Emissions Justice.
  15. Rb. Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8485, r.o. 2.8-2.9. 
  16. Rb. Amsterdam 10 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4102, r.o. 2.3. 
  17. Rb. Amsterdam 18 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6160 (rolbeslissing). 
  18. Rb. Amsterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745, r.o. 5.79 e.v. 
  19. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 102.
  20. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 103. 
  21. De succesvergoeding is de vergoeding die de financier krijgt bij succes (schikking of schadevergoeding). De succesvergoeding kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van wat de financier bedingt (zie B.V. Rozema, 'Financiering van collectieve acties: wie draait op voor de succesvergoeding van de financier?', NTBR 2023/25). 
  22. Rb Amsterdam 11 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:745, r.o. 5.85. Rb Midden‑Nederland 3 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:10, r.o. 3.72.
  23. B.V. Rozema, 'Financiering van collectieve acties: wie draait op voor de succesvergoeding van de financier?', NTBR 2023/25. 
  24. Kamerstukken II 2017/18 34608, nr. 3, p. 11 - 12. Kamerstukken II 2017/18 34608, nr. 6, p. 25.
  25. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 108 – 109. 
  26. Hof Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2738, r.o. 6.58 – 6.59. 
  27. M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 109. 
  28. Hof Den Haag 23 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2738, r.o. 6.71 e.v. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

* This article is current as of the date of its publication and does not necessarily reflect the present state of the law or relevant regulation.

Interested in hearing more from Osborne Clarke?