De schikkingsfase tijdens de WAMCA-procedure
Gepubliceerd op 30th April 2026
WAMCA – De schikkingsfase
Deze Insight is onderdeel van de serie: Navigating Dutch Class Actions (WAMCA). Lees onze eerste publicaties hier:
- De opt-in- en opt-out mogelijkheden onder de WAMCA | Osborne Clarke
- De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie – een introductie | Osborne Clarke
- De exclusieve belangenbehartiger onder de WAMCA | Osborne Clarke
- De ontvankelijkheidsfase van de WAMCA | Osborne Clarke
In deze Insight bespreken wij de schikkingsfase tijdens de WAMCA-procedure en relevante rechtspraak in dit kader.
De schikkingstermijn
Na aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger in een procedure op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (de "WAMCA-procedure"), stelt de rechtbank een termijn vast waarbinnen partijen een schikking kunnen treffen.[1] De wet schrijft dit dwingend voor, zowel bij collectieve schadevorderingen als bij vorderingen die zien op een algemeen of ideëel belang.[2] Het bevorderen van een minnelijke regeling tussen partijen vormt dan ook een belangrijk uitgangspunt van de WAMCA.[3] De wetgever heeft beoogd om schikken aantrekkelijker te maken door verbetering van de kwaliteit van collectieve belangenbehartigers door middel van aangescherpte ontvankelijkheideisen, coördinatie van procedures door aanwijzing van (in beginsel) één exclusieve belangenbehartiger en door meer finaliteit te creëren doordat de uitkomst van een procedure, inclusief een goedgekeurde schikking, in beginsel bindend is voor alle benadeelden die geen opt-out verklaring hebben afgelegd.[4]
De schikkingstermijn vormt een bewuste adempauze in de WAMCA‑procedure. Op dat moment staat vast welke organisatie als exclusief belangenbehartiger optreedt, zodat voor de verweerder duidelijk is met welke partij hij kan onderhandelen over een regeling die de gehele groep benadeelden kan binden.[5]
In de praktijk stelt echter niet iedere rechtbank een schikkingstermijn, ondanks het dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling. Zo oordeelde de rechtbank Den Haag dat het stellen van een termijn tot onnodige vertraging zou leiden, nu op voorhand al duidelijk was dat partijen niet tot een minnelijke regeling zouden komen.[6] Een andere reden om geen schikkingstermijn te stellen kan zich voordoen wanneer de gedaagde zich niet heeft gemeld in het pre processuele traject en evenmin tijdens de procedure is verschenen.[7] Daarnaast zijn er verschillende rechtbanken die hebben overwogen dat partijen niet kenbaar hebben gemaakt behoefte te hebben aan een schikkingstermijn of juist kenbaar hebben gemaakt daar geen behoefte aan te hebben, en die om die reden geen termijn hebben gesteld.[8] De rechtbank Amsterdam ging zelfs nog een stap verder en stelde geen schikkingstermijn, zonder hier expliciet op in te gaan.[9]
Tot op heden zijn er geen zaken bekend waarbij partijen in een WAMCA-procedure een schikking ter goedkeuring aan de rechter hebben voorgelegd.[10] Wordt geen schikking bereikt, dan wordt de procedure voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. De rechtbank kan in dat geval een nadere conclusiewisseling gelasten of een of meer mondelinge behandelingen bepalen.[11]
De duur van de schikkingstermijn
De wet bepaalt niet hoe lang de schikkingstermijn moet zijn. Indien een schikking een reële optie is, dient de termijn voldoende lang te zijn om deze mogelijkheid daadwerkelijk te kunnen verkennen.[12]
De duur van de termijn wordt in de praktijk grotendeels bepaald door de opstelling en standpunten van partijen.[13] Rechters kunnen partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de gewenste duur van de schikkingstermijn.[14] Zo waren partijen in een collectieve actie van FNV en CNV tegen XPO Supply Chain Netherlands III B.V. het erover eens dat een termijn van twee maanden gewenst was. In die zaak viel de schikkingstermijn samen met de periode die belanghebbenden werd gegund om te kiezen voor een opt-out of een opt-in.[15] Rechtbanken kiezen er vaker voor om deze termijnen nagenoeg gelijk te laten lopen.[16]
Aanvullen van gronden en weren
De schikkingsfase volgt op de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger. Die aanwijzing vindt plaats nadat de rechtbank heeft beoordeeld welke belangenorganisatie ontvankelijk is in haar vorderingen. De inhoudelijke beoordeling van de zaak vindt dan ook pas plaats nadat de rechter over de ontvankelijkheidseisen heeft beslist (zie hierover meer in de Insight over de ontvankelijkheidsfase).[17]
De verweerder kan op grond van artikel 1018c lid 5 Rv in eerste instantie volstaan met verweren op de procedurele punten ten aanzien van de ontvankelijkheid en hoeft dus niet bij aanvang van de procedure inhoudelijk verweer te voeren. De inhoudelijke behandeling breekt in beginsel pas aan na de schikkingsfase. De rechtbank kan in het vonnis waarin de schikkingstermijn wordt bepaald, tevens oordelen dat de verweerder na het verstrijken van die termijn een bepaalde periode – bijvoorbeeld zes of twaalf weken – krijgt om alsnog inhoudelijk verweer te voeren, indien partijen er onderling niet uitkomen.[18]
Daarnaast kan de rechtbank de exclusieve belangenbehartiger eerst een termijn geven om de gronden van de vordering aan te vullen.[19] De exclusieve belangenbehartiger heeft dan bijvoorbeeld de mogelijkheid om gronden over te nemen die andere, niet-aangewezen eisers in hun procesinleiding hebben aangevoerd.[20] Wanneer het debat ten principale evenwel al is gevoerd, kan de rechtbank oordelen dat er geen aanleiding meer bestaat om partijen nog de gelegenheid te bieden tot aanvulling van hun gronden of verweer.[21]
De vaststellingsovereenkomst
In aansluiting op de bestaande systematiek van de Wet collectieve afwikkeling massaschade ("WCAM") biedt de WAMCA de mogelijkheid om massaschade collectief af te wikkelen via een vaststellingsovereenkomst die in beginsel alle benadeelden bindt.
De WCAM biedt de mogelijkheid om een overeenkomst ter afwikkeling van massaschade verbindend te laten verklaren voor de gehele groep van benadeelden.[22] Een dergelijke schikking heeft het karakter van een vaststellingsovereenkomst die na verbindendverklaring niet alleen geldt voor de partijen bij de overeenkomst, maar voor alle benadeelden (behoudens benadeelden die een opt-out verklaring hebben afgelegd).[23] Bij de invoering van de WAMCA is bij deze systematiek aangesloten. Partijen kunnen in een WAMCA-procedure dan ook een vaststellingsovereenkomst ter goedkeuring aan de rechter voorleggen. In artikel 1018h Rv is daartoe zoveel mogelijk aangesloten bij de bepalingen die gelden voor WCAM-schikkingen.[24]
Het verzoekschrift tot goedkeuring wordt ingediend bij de rechter bij wie de WAMCA-procedure op dat moment aanhangig is.[25] Partijen kunnen zowel tijdens de WAMCA-procedure – bijvoorbeeld in de schikkingsfase – als nadat een uitspraak is gewezen tot een schikking komen.[26] Het is dus ook mogelijk dat een schikking wordt voorgelegd aan een rechter voordat een exclusieve belangenbehartiger is aangewezen. Indien partijen op grond van artikel 1018h Rv tot een schikking komen nadat de exclusieve belangenbehartiger is aangewezen, heeft deze schikking betrekking op de gehele nauw omschreven groep personen. Het is dan niet mogelijk om slechts voor een deel van de groep te schikken. Dit verbod op deelschikkingen waarborgt dat belangenbehartigers zich niet uitsluitend richten op de belangen van hun eigen achterban, maar zich eveneens inspannen voor de overige benadeelden.[27]
De goedkeuring van een collectieve overeenkomst tot afwikkeling van massaschade schept duidelijkheid voor zowel de benadeelden als de gedaagde(n). Komen partijen finale kwijting overeen, dan is de kwestie daarmee definitief afgedaan. Juist om die reden hebben benadeelden, zoals ook omschreven in de Insight over opt-in en opt-out mogelijkheden, de mogelijkheid om ervoor te kiezen niet gebonden te zijn aan de collectieve vaststellingsovereenkomst.[28]
Aan de overeenkomst waarin de collectieve schikking wordt vastgelegd, stelt de wet verschillende minimumeisen. Zo moet onder meer worden omschreven op welke gebeurtenissen de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft en voor welke groep personen de overeenkomst is opgesteld.[29]
Nadat de verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend, zijn de partijen ten behoeve van wie de overeenkomst is gesloten, anders dan de verzoeker bevoegd om een verweerschrift in te dienen. Diezelfde mogelijkheid staat open voor een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die weliswaar niet als medeverzoeker is opgetreden, maar die zich krachtens haar statuten inzet voor de belangen van de personen op wie de overeenkomst betrekking heeft.[30] Indien de rechter het verzoek als bedoeld in artikel 1018h lid 1 Rv toewijst, keurt hij de schikkingsovereenkomst bij beschikking goed.[31]
Naast de hiervoor beschreven collectieve schikking kunnen ook andere vormen van schikkingen tot stand komen. Zo bestaat de mogelijkheid van een opt-in schikking, waarbij de belangenbehartiger een schikking treft voor de personen voor wie zij opkomt en waarbij individuele benadeelden zich door middel van opt-in kunnen binden aan de overeengekomen schikkingsvoorwaarden.[32]
Indien partijen er onderling niet uitkomen, wordt de WAMCA-procedure voortgezet.
Afsluiting
De schikkingsfase vormt een belangrijk onderdeel van de WAMCA-procedure. Hoewel de wetgever het bevorderen van minnelijke regelingen als een van de speerpunten van de WAMCA heeft aangemerkt, laat de praktijk zien dat rechtbanken pragmatisch omgaan met de schikkingstermijn en dat partijen tot op heden voor zover bekend nog geen collectieve schikking hebben voorgelegd aan een rechter tijdens een WAMCA-procedure. De wijze waarop de collectieve actie wordt gefinancierd, zou hierbij een rol kunnen spelen. In de volgende Insight in deze serie gaan wij nader in op de financiering van collectieve acties.
[1] Artikel 1018g Rv.
[2] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 77.
[3] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018g Rv.
[4] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018g Rv. Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 1.
[5] Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 48.
[6] Rb. Den Haag 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320, r.o. 4.38.
[7] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 78.
[8] Rb. Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145, r.o. 5.28. Rb. Den Haag 6 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3007, r.o. 5.26. Rb. Den Haag 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14834, r.o. 3.25.
[9] Rb. Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4255, r.o. 8.4.
[10] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018g Rv.
[11] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018g Rv.
[12] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 77.
[13] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018g Rv.
[14] Rb. Oost-Brabant 18 mei 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1995, r.o. 5.44. Rb. Oost-Brabant 3 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5, r.o. 6.61. Rb. Midden-Nederland 8 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:10, r.o. 3.111.
[15] Rb. Oost-Brabant 14 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3931, r.o. 2.25-2.26.
[16] Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 8 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:10, r.o. 3.111. Zie bijvoorbeeld ook in dit kader Rb. Oost-Brabant 24 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1696, r.o. 3.26.
[17] Artikel 1018c lid 5 Rv.
[18] Rb. Amsterdam 17 januari 2024, C/13/716600 / HA ZA 22-332, te vinden op Centraal register voor collectieve vorderingen (Stichting Nuon-Claim / Vattenfall), r.o. 2.7. Rb. Amsterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3952, r.o. 2.3.
[19] Rb. Amsterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3952, r.o. 2.3.
[20] Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 48.
[21] Rb. Oost-Brabant 3 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:5, r.o. 6.62.
[22] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 93.
[23] Artikel 7:908 BW.
[24] Knigge, Dröge & Hoogervorst, in: Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 1018h Rv.
[25] Potjewijd & Kluwen, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1018h Rv, aant. 3.
[26] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 93.
[27] Potjewijd & Kluwen, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1018h Rv, aant. 2.1.
[28] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 94.
[29] Artikel 7:907 BW.
[30] Potjewijd & Kluwen, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1018h Rv, aant. 3.
[31] Potjewijd & Kluwen, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1018h Rv, aant. 6.
[32] Potjewijd & Kluwen, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1018h Rv, aant. 2.3.