De opt-in- en opt-out mogelijkheden onder de WAMCA
Gepubliceerd op 2nd April 2026
WAMCA – Opt-in en opt-out mogelijkheden
Deze Insight is onderdeel van de serie: Navigating Dutch Class Actions (WAMCA). Lees onze eerste publicaties hier:
- De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie – een introductie | Osborne Clarke
- De ontvankelijkheidsfase van de WAMCA | Osborne Clarke
- De exclusieve belangenbehartiger onder de WAMCA | Osborne Clarke
In deze Insight bespreken wij de opt-in en opt-out mogelijkheden die de WAMCA biedt aan benadeelden en relevante rechtspraak.
Wat wordt bedoeld met de opt-in en de opt-out mogelijkheid?
Een procedure op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (de "WAMCA-procedure") heeft in beginsel automatisch bindende werking voor alle benadeelden die tot de door de rechter vastgestelde groep behoren en woon- of verblijfplaats hebben in Nederland. Benadeelden die niet gebonden willen zijn aan de collectieve actie kunnen een zogenoemde "opt-out verklaring" afgeven.
Voor benadeelden die behoren tot de door de rechter vastgestelde groep zonder woon- of verblijfplaats in Nederland geldt het omgekeerde: zij zijn niet automatisch gebonden aan de collectieve actie.[1] Deze benadeelden kunnen een "opt-in verklaring" afgeven om zich juist wel te binden aan de uitkomst van de procedure.
De aard van de vordering kan met zich meebrengen dat de opt-in of opt-out mogelijkheid niet zinvol is. Een rechter kan oordelen dat personen dan geen opt-in of opt-out verklaring hoeven af te leggen om gebonden te zijn aan de uitspraak. Iedereen die tot de vastgestelde groep behoort is in een dergelijk geval gebonden.[2]
De eerste opt-outmogelijkheid voor benadeelden in Nederland
Nadat een exclusieve belangenbehartiger is aangewezen en de rechter de nauw omschreven groep personen heeft vastgesteld wiens belangen worden behartigd, stelt de rechter een termijn vast waarbinnen benadeelden met woon- of verblijfplaats in Nederland een opt-out verklaring kunnen doen bij de griffie van de rechtbank. Legt een benadeelde geen opt-out verklaring af binnen deze termijn, dan is hij gebonden aan de collectieve actie en de uitkomst daarvan.
De gebondenheid gaat in zodra de collectieve actie van start gaat. Vanaf dat moment kan een benadeelde geen eigen procedure meer starten. Het is bovendien niet mogelijk om al vóór de door de rechter vastgestelde termijn een opt-out verklaring af te leggen. Heeft een benadeelde al een eigen procedure lopen, dan moet hij wachten tot er in de WAMCA-procedure een opt-out termijn is vastgesteld. Hij zal zijn procedure moeten schorsen tot hij de mogelijkheid heeft gekregen om een opt-out verklaring af te leggen3
Wanneer een aanzienlijk aantal benadeelden besluit om gebruik te maken van de opt-out mogelijkheid, kan dit gevolgen hebben voor de voortgang van de procedure. De rechter kan in zo'n geval op grond van artikel 1018f lid 1 Rv oordelen dat het niet langer gerechtvaardigd is om de collectieve actie voort te zetten. Een voorbeeld hiervan is de collectieve actie die FNV en CNV waren gestart tegen Temper. In deze zaak stelde de rechtbank Amsterdam vast dat bijna een kwart van de Temper-werkers een opt-out verklaring had ingediend. De rechtbank was van oordeel dat dit aantal te groot was om de procedure voort te zetten. Dit leidde ertoe dat de collectieve actie, voor zover deze betrekking had op de vorderingen ten behoeve van de Temper-werkers, werd beëindigd.[4]
De opt-inmogelijkheid voor benadeelden buiten Nederland
Voor benadeelden zonder woon- of verblijfplaats in Nederland geldt op grond van artikel 1018f lid 5 Rv in beginsel een opt-in regime, wat betekent dat zij uitdrukkelijk moeten instemmen met de behartiging van hun belangen om gebonden te zijn aan de uitkomst van de procedure. De rechter bepaalt hoe deze buitenlandse benadeelden worden geïnformeerd, tenzij een voor Nederland bindende internationale of Unie-regeling een wijze van aankondiging voorschrijft. Indien nodig worden benadeelden voorzien van informatie in een andere taal dan het Nederlands.[5]
De rechter kan op verzoek van een procespartij bepalen dat ook voor deze groep benadeelden het opt-out regime van artikel 1018f lid 1 Rv van toepassing is .[6] Dit hebben de belangenbehartigers FNV en CNV verzocht in de collectieve actie tegen XPO Supply Chain Netherlands III B.V., waarin de vraag centraal stond aan welke pensioenregeling de betrokken werknemers zouden deelnemen.[7] XPO Supply Chain Netherlands III B.V. zou niet beschikken over de adresgegevens van benadeelden zonder woon- of verblijfplaats in Nederland, waardoor deze personen niet gebonden zouden kunnen worden aan de uitkomst van de collectieve actie. De rechtbank overwoog echter, met een beroep op de wetsgeschiedenis, dat een dergelijk verzoek alleen kan worden toegewezen indien de rechter vaststelt dat een opt-out regime voor buitenlandse belanghebbenden ook in het belang is van de partij die hierom niet heeft verzocht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met het oog op het bereiken van daadwerkelijke en algehele finaliteit.[8]
De rechtbank wees in deze uitspraak het verzoek van FNV en CNV af. Gelet op de aard van de vordering, die zag op de verstrekkende vraag aan welke pensioenregeling de betrokken werknemers deelnemen en waarbij indirect ook pensioenverzekeraars betrokken zijn, zou het hanteren van een opt-out regime voor een groep personen van onbekende omvang ongewenste gevolgen hebben. Een voor partijen onbekende groep personen zou dan zonder wetenschap gebonden zijn aan de uitkomst van de uitspraak.[9]
Een voorbeeld van een uitspraak waarin de rechtbank het verzoek om toepassing van het opt-out regime wél heeft toegewezen, is de collectieve actie van Stichting BREIN. Deze stichting voert namens bij haar aangesloten personen en partijen collectieve acties in het kader van intellectuele eigendomsfraude.[10] De aangeslotenen ondersteunen Stichting BREIN financieel. In de procedure stelde Stichting BREIN dat een zeer groot aantal aangeslotenen in het buitenland was gevestigd en dat deze partijen niet bereid waren om voor iedere afzonderlijke WAMCA-procedure een opt-in verklaring in te dienen. Een opt-in regime zou daarom betekenen dat Stichting BREIN de belangen van deze buitenlandse partijen niet langer kon vertegenwoordigen, terwijl zij daarvoor wel betaalden en zij nooit bezwaar hadden gemaakt tegen de door Stichting BREIN gevoerde procedures.[11] De rechter vond dit voldoende om het verzoek van Stichting BREIN toe te wijzen.[12]
De informatievoorziening aan de benadeelden ten aanzien van de opt-in en opt-out mogelijkheid
De rechter bepaalt op welke wijze benadeelden worden geïnformeerd over de mogelijkheid om zich te onttrekken aan de collectieve vordering of juist in te stemmen met de deelname. De exclusieve belangenbehartiger is verantwoordelijk voor deze informatievoorziening, tenzij de rechter anders bepaalt.
Om te waarborgen dat benadeelden goed worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot opt-in en opt-out is in de wet vastgelegd op welke wijze en waarover benadeelden in beginsel geïnformeerd moeten worden:[13]
- bij gewone brief wordt aan de bekende personen wiens belangen worden behartigd, zo spoedig mogelijk de mededeling gedaan van i) de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger, ii) de collectieve vordering en iii) de nauw omschreven groep personen wiens belangen door de exclusieve belangenbehartiger in deze collectieve vordering worden behartigd; en
- een collectieve vordering moet ook zo spoedig mogelijk in één of meer door de rechter aan te wijzen nieuwsbladen worden aangekondigd.
De door de rechter vastgestelde termijn waarbinnen personen een verklaring kunnen doen, bedraagt minimaal één maand na de publieke aankondiging. In de praktijk wordt veelal, soms op verzoek van partijen, een periode van twee tot drie maanden gehanteerd, gerekend vanaf een bepaald moment na het tussenvonnis.[14]
De rechter kan aanvullende informatievereisten stellen of een andere wijze van informatieverstrekking voorschrijven. De rechter kan partijen ook in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over voorschriften die verbandhouden met de opt-out en opt-in.[15]
De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland waarin een stichting was aangewezen als de exclusieve belangenbehartiger voor alle vrouwen in Nederland die Essure[16] geïmplanteerd hadden gekregen, illustreert welke instructies de rechtbank kan geven over op welke wijze en waarover een exclusieve belangenbehartiger de belanghebbenden dient te informeren. Partijen zijn het daarnaast eens geworden over de volgende aanwijzing, die de rechter voldoende achtte om de vrouwen uit de nauw omschreven groep te informeren:[17]
- de stichting stuurt een brief met de aankondiging per gewone post en per e-mail naar alle vrouwen die zich bij haar hebben aangemeld en van wie de stichting de contactgegevens heeft;
- de stichting plaatst een advertentie in de Volkskrant van minimaal een kwart pagina met de aankondiging van de collectieve actie; en
- de stichting publiceert het tussenvonnis van 9 januari 2025 op haar website over de collectieve actie tegen Bayer (https://stichtingessureclaims.com/nl/).
De rechtbank achtte dit voldoende om de vrouwen te informeren. Een eerder tussenvonnis was daarnaast ook al gepubliceerd in het Centraal Register voor collectieve vorderingen en het tussenvonnis lag bij de griffie ter inzage.[18] De stichting moest zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na het tussenvonnis de aankondiging sturen naar de bij haar bekende vrouwen en zij moest binnen twee weken de advertentie met aankondiging in de Volkskrant plaatsen.[19] De rechtbank heeft daarbij ook een tekst vastgesteld voor de aankondiging.[20] De vrouwen uit de nauw omschreven groep kregen twee maanden de tijd om de rechtbank te berichten indien zij niet gebonden wilden zijn aan de procedure.[21]
In sommige gevallen geeft een rechter geen toepassing aan de voorschriften gelet op de ideële aard van de vorderingen.[22] Dit was het geval in de collectieve actie van Milieufederaties en Stichting Gezond Water tegen de Staat. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de voorschriften geen toepassing behoefden, omdat bij een toe- of afwijzend vonnis iedereen die het aangaat gebonden zou zijn aan de rechtsgevolgen. Het betrof hier een collectieve actie ter bescherming van het algemeen belang.[23]
De tweede opt-out mogelijkheid
Naast de eerder besproken opt-out mogelijkheid, voorziet de WAMCA in een aanvullende opt-out mogelijkheid. Zodra een uitspraak onherroepelijk is geworden, is deze voor de partijen in de procedure en de benadeelden bindend. Artikel 1018k Rv biedt echter bescherming aan benadeelden van wie de schade pas na afloop van de eerste opt-out mogelijkheid bekend is geworden. Een persoon die niet met zijn schade bekend kon zijn op het moment van de opt-out of opt-in mogelijkheid, wordt niet gebonden aan de vastgestelde collectieve schadeafwikkeling als hij dit na het bekend worden van zijn schade schriftelijk laat weten.
Het zou ook niet redelijk zijn om een rechterlijke uitspraak verbindend te laten zijn voor een persoon die ten tijde van de procedure niet op de hoogte kon zijn van het feit dat deze mede op hem van toepassing was, omdat hij op dat moment nog geen schade had. Deze persoon heeft de mogelijkheid om zich, nadat zijn schade aan het licht is gekomen, op grond van artikel 1018k lid 2 Rv alsnog te onttrekken aan de gebondenheid van de uitspraak.
De mededeling niet gebonden te willen zijn, dient te worden gericht aan de gedaagde of aan de persoon als bedoeld in artikel 7:907 lid 2, aanhef en onder g BW. Dit kan doorgaans een rechtspersoon zijn die op basis van de vastgestelde collectieve schadeafwikkeling belast is met het uitkeren van de vergoedingen, ook wel de claim administrator genoemd. De gedaagde is bevoegd om de betrokken persoon een termijn te stellen van minimaal zes maanden om aan te geven dat hij niet aan de uitspraak gebonden wenst te zijn.
Afsluiting
Kortom, de WAMCA heeft in beginsel automatisch bindende werking voor alle benadeelden die tot de door de rechter vastgestelde groep behoren en woon- of verblijfplaats hebben in Nederland. Voor buitenlandse benadeelden geldt in beginsel een opt-in regime, hoewel de rechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken. Nadat partijen de gelegenheid hebben gehad om gebruik te maken van de eerste opt-out mogelijkheid, breekt de schikkingsfase aan. Hierover meer in onze volgende Insight.
.............................................................................................................................
[1] Artikel 1018f lid 5 Rv.
[2] Rb. Amsterdam 18 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4192, r.o. 2.19-2.20.
[3] M. Goorts & T. Mimpen, Procesrechtelijke aspecten van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, p. 72.
[4] Rb. Amsterdam 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6389, r.o. 2.15-2.17..
[5] Artikel 1018f lid 3 Rv.
[6] Artikel 1018f lid 5 Rv.
[7] Rb. Oost-Brabant 14 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3931, r.o. 2.13.
[8] Rb. Oost-Brabant 14 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3931, r.o. 2.15.1.
[9] Rb. Oost-Brabant 14 september 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:3931, r.o. 2.15.2.
[10] Rb. Den Haag 3 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6324.
[11] Rb. Den Haag 3 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6324, r.o. 2.3.
[12] Rb. Den Haag 3 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6324, r.o. 2.4.
[13] Artikel 1018f lid 3 Rv.
[14] Van Mierlo, in: T&C Rv, commentaar op art. 1018f Rv. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 29 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:412, r.o. 2.6.
[15] Rb. Amsterdam 29 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:412, r.o. 2.1.
[16] Essure was een permanente sterilisatiemethode die bij duizenden vrouwen ernstige gezondheidsklachten veroorzaakte.
[17] Rb. Midden-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1209, r.o. 2.6.
[18] Rb. Midden-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1209, r.o. 2.7.
[19] Rb. Midden-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1209, r.o. 2.8.
[20] Rb. Midden-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1209, r.o. 2.10.
[21] Rb. Midden-Nederland 26 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1209, r.o. 2.6.
[22] Rb. Den Haag 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14834, r.o. 3.23.
[23] Rb. Den Haag 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9162, r.o. 3.8.