Tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen: de Hoge Raad oordeelt dat rechters moeten beoordelen of consumentenrecht is nageleefd

Written on 14 Nov 2019

Consumer law

Inleiding

De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 8 november 2019 uiteengezet dat de voorzieningenrechter bij een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in een consumentenzaak uit eigen beweging (dus: ambtshalve) moet nagaan of de regels van Europees en nationaal consumentenrecht zijn nageleefd. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam had hier prejudiciële vragen over gesteld.

Casus

Een stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht om verlof om een arbitraal vonnis dat is gewezen ten uitvoer te leggen dat is gewezen door een arbiter van Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland.

In het arbitrale vonnis is een vordering toegewezen op een natuurlijk persoon tot betaling van achterstallige huurtermijnen. Het arbitraal beding waarmee de Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland was aangewezen als scheidsgerecht was opgenomen in algemene voorwaarden. De consument is in zowel de arbitrageprocedure als in de procedure om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis niet verschenen. In het arbitraal vonnis zijn ook incassokosten toegewezen (artikel 6:96 lid 6 BW).

Prejudiciële vragen

De Hoge Raad merkt allereerst op dat bij een arbitraal beding dat onderdeel uitmaakt van algemene voorwaarden het regime van Europese consumentenrecht (Richtlijn 93/13/EEG) en dat van het nationale consumentenrecht (artikel 6:236 aanhef en sub n BW) steeds naast elkaar van toepassing zullen zijn.

De Hoge Raad overweegt daarnaast dat de voorzieningenrechter die een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in een consumentenzaak beoordeelt, verplicht is om uit eigen beweging (dus: ambtshalve) na te gaan of:

(i)  het arbitrale beding of de contractuele grondslag van de vordering oneerlijk is in de zin van het Europese consumentenrecht; en

(ii) het arbitrale beding de consument een termijn gunt van ten minste een maand
nadat de wederpartij zich op het arbitrale beding heeft beroepen om alsnog ervoor te kiezen dat het geschil aan de overheidsrechter wordt voorgelegd en of de consument deze termijn daadwerkelijk gegund is.

Indien aannemelijk is dat een van de hiervoor onder (i) genoemde gevallen zich voordoet of indien aannemelijk is dat een van de onder (ii) genoemde gevallen zich niet voordoet, moet de voorzieningenrechter het verlof in beginsel weigeren. Als het verlof wordt geweigerd dan betekent dit dat het arbitrale vonnis niet tegen de consument ten uitvoer kan worden gelegd.

De voorzieningenrechter hoeft niet uit eigen beweging te onderzoeken of de schuldeiser voldoende heeft gesteld voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of hij andere daarvoor geldende regels heeft nageleefd, zoals het versturen van een zogenaamde veertiendagenbrief (artikel 6:96 lid 6 BW).

Consumentenarbitrage: termijn opnemen en gunnen

Het antwoord van de Hoge Raad bevestigt dat het belangrijk is om in het arbitraal beding vast te leggen dat de consument een termijn van ten minste een maand gegund wordt nadat de wederpartij zich op het arbitrale beding heeft beroepen om alsnog ervoor te kiezen dat het geschil aan de overheidsrechter wordt voorgelegd.

Daarnaast moet de consument ook daadwerkelijk deze termijn worden gegund. Het is met het oog op de bewijspositie aan te raden om de correspondentie met de consument in dit kader duidelijk vast te leggen.