Q3 Klachtplicht, vervaltermijnen en verjaring

Written on 6 Nov 2015

In de rechtspraak die in het afgelopen kwartaal is gepubliceerd, komt duidelijk naar voren dat de financiële dienstverlener nadeel moet ondervinden van laat klagen door een klant als een beroep op schending van de klachtplicht wordt gedaan. Pas wanneer er sprake is van concreet nadeel, kan met succes een beroep worden gedaan op schending door de klant van de klachtplicht.
Daarnaast is opnieuw een beroep op de vervaltermijnen uit de Algemene Bankvoorwaarden afgewezen, zelfs tot tweemaal toe.

A. Klachtplicht

De klant moet bewijzen dat en wanneer hij heeft geklaagd, als een financiële dienstverlener een beroep doet op schending van de klachtplicht. Indien vervolgens de klant bewijst dat hij heeft geklaagd, moet de financiële dienstverlener bewijzen dat de klacht niet tijdig is geuit (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593 (Far Trading/Edco Eindhoven); vgl. Rb. Amsterdam 23 september 2015 (gepubliceerd op 19 oktober 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:6457 (X c.s./Bestuurder), r.o. 4.2). In dat kader speelt een rol of de financiële dienstverlener nadeel heeft ondervonden door het late klagen, bijvoorbeeld door een verslechterde bewijspositie of door de onmogelijkheid om op een eerder moment schade te beperken. Jurisprudentie van het afgelopen kwartaal bevestigt dat een beroep van een financiële dienstverlener op benadeling concreet moet worden onderbouwd.

De onderbouwing van nadeel met voldoende specifieke stellingen gaat niet altijd goed. Slechts in drie zaken die zijn gepubliceerd in het afgelopen kwartaal slaagt een beroep op schending van de klachtplicht. De eerste zaak betreft een procedure bij het hof Amsterdam. Nadat het hof overweegt dat de klant de fout van de vermogensbeheerder al lang had moeten ontdekken, overweegt het hof dat de vermogensbeheerder voldoende concreet heeft onderbouwd dat zij nadeel heeft geleden door het late klagen. De vermogensbeheerder is de kans ontnomen om in te grijpen, waardoor de verliezen groter zijn geworden dan het geval zou zijn geweest bij tijdig klagen (Hof Amsterdam 31 maart 2015 (gepubliceerd op 14 juli 2015), ECLI:NL:GHAMS:2015:1194 (X/ABN AMRO), r.o. 3.15).

Overigens overweegt het hof Amsterdam ook dat slechts de klachtplicht ex art. 6:89 BW een rol speelt in het kader van beleggingsadviesrelaties en niet ook de klachtplicht ex art. 7:23 BW. Dat laatste artikel is slechts van toepassing bij consumentenkoop en daarom in de ogen van het hof niet toepasselijk bij beleggingsadvies. De rechtbank Amsterdam komt tot hetzelfde oordeel in het kader van een renteswapzaak (Rb. Amsterdam 8 juli 2015 (gepubliceerd op 13 juli 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:4286 (Horeca Meubilair Den Haag Beheer/ING Bank), r.o. 4.3). 

De twee andere zaken waarin een beroep van de financiële dienstverlener op schending van de klachtplicht slaagt, betreffen Wilgenhaege Vermogensbeheer. Een klant die klaagt over een fout vier jaar nadat hij die fout heeft ontdekt, kan op die fout geen beroep meer doen omdat de vermogensbeheerder erin slaagt om haar nadeel te onderbouwen. De vermogensbeheerder is namelijk door het te late klagen de kans ontnomen om de portefeuille-inrichting aan te passen aan de wensen van de klant. Schade kon daardoor niet worden beperkt. De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening heeft daarom in beide zaken waarbij Wilgenhaege Vermogensbeheer was betrokken geoordeeld dat de bank met succes een beroep kan doen op schending van de klachtplicht. De vorderingen van de klant worden daarom afgewezen (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 18 juni 2015, nr. 2015-171 (X/Wilgenhaege Vermogensbeheer), r.o. 4.6; Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 25 augustus 2015, nr. 2015-247 (X/Wilgenhaege Vermogensbeheer), r.o. 4.8). 

In een andere zaak waarbij Wilgenhaege Vermogensbeheer betrokken was heeft de Geschillencommissie een beroep op schending van de klachtplicht juist afgewezen, omdat de vermogensbeheerder haar nadeel niet voldoende heeft weten aan te tonen. De Geschillencommissie oordeelt dat de stelling van de vermogensbeheerder dat haar bewijspositie is geschaad onvoldoende is onderbouwd, omdat de vermogensbeheerder een aanzienlijk aantal documenten ten aanzien van het gevoerde beheer heeft overgelegd in de procedure en bovendien bewijskwesties geen rol hebben gespeeld in de procedure (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 10 juli 2015, nr. 2015-204 (X/Wilgenhaege Vermogensbeheer), r.o. 4.3).

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening heeft ook in een andere zaak een beroep op schending van de klachtplicht afgewezen. In die zaak heeft de beleggingsadviseur niet voldoende concreet weten te onderbouwen dat zij in haar bewijspositie is geschaad. De enkele omstandigheid dat de vaste adviseur van de klant niet meer werkzaam is bij de beleggingsadviseur, is niet voldoende om van benadeling te kunnen spreken (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 3 juli 2015, nr. 2015-196 (X/ABN AMRO), r.o. 4.2). De Geschillencommissie overweegt in een ander geschil dat de beleggingsadviseur weliswaar stelt dat zij in haar bewijspositie is geschaad, maar dat zij dat niet met voldoende specifieke stellingen aannemelijk heeft gemaakt. Een beroep op schending van de klachtplicht slaagt dan ook niet (Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 24 september 2015, nr. 2015-274 (X/Rabobank Het Haringvliet), r.o. 4.5). 

Ook de rechtspraak van de overheidsrechter laat zien dat een beroep op schending van de klachtplicht veelal wordt afgewezen omdat het nadeel aan de zijde van de financiële dienstverlener door het late klagen niet voldoende is aangetoond. In een renteswapzaak die speelde bij de rechtbank Amsterdam is dat niet gelukt (Rb. Amsterdam 8 juli 2015 (gepubliceerd op 13 juli 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:4286 (Horeca Meubilair Den Haag Beheer/ING Bank), r.o. 4.2).

Zelfs als een klacht vaag is, moet daaruit soms een concrete klacht worden opgemaakt. Als dat het geval is, dan kan de bank niet zijn benadeeld omdat zij de schade niet heeft kunnen beperken. Immers, de bank had dan meteen na de klacht kunnen acteren (Rb. Oost-Brabant 22 juli 2015 (gepubliceerd op 24 juli 2015), ECLI:NL:RBOBR:2015:4429 (Spant Best c.s./Rabobank Het Groene Woud), r.o. 5.20)

In de rechtspraak van de overheidsrechter die het afgelopen kwartaal is gepubliceerd, is een beroep op schending van de klachtplicht ook afgewezen omdat het tijdverloop niet groot is tussen het moment van ontdekking door de klant van de fout van de financiële dienstverlener en het moment van klagen. Als het tijdverloop niet groot is, dan is een klacht al snel tijdig. Dat oordeelt de rechtbank Amsterdam in het kader van beleggingsadvies (Rb. Amsterdam 15 juli 2015 (gepubliceerd op 25 augustus 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:5479 (X/ABN AMRO), r.o. 4.5), de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het hof Amsterdam in het kader van renteswaps (Rb. Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2015 (gepubliceerd op 14 augustus 2015), ECLI:NL:RBZWB:2015:5415 (Ganzestad c.s./Rabobank Altena), r.o. 4.7; Hof Amsterdam 15 september 2015 (gepubliceerd op 21 september 2015), ECLI:NL:GHAMS:2015:3842 (X/ING Bank), r.o. 3.15) en de rechtbank Noord-Holland in het kader van een groepsactie en investeringen in vastgoed (Rb. Noord-Holland 19 augustus 2015 (gepubliceerd op 26 augustus 2015), ECLI:NL:RBNHO:2015:7302 (Agrariërs/LTO c.s.), r.o. 4.3). 

B. Verjaring en vervaltermijnen 

Art. 19 ABV bepaalt dat de klant de door de bank verschafte gegevens moet controleren en art. 20 ABV bepaalt dat de klant binnen dertien maanden aan de bel moet trekken, omdat anders de gegevens van de bank als goedgekeurd gelden. ING heeft in een procedure bij de rechtbank Amsterdam betoogd dat de klant ten onrechte niet binnen de termijn van art. 19 ABV en art. 20 ABV heeft geklaagd over schending van de zorgplicht door ING. De rechtbank Amsterdam verwerpt dat beroep en overweegt dat de voornoemde artikelen uit de Algemene Bankvoorwaarden niet zien op een schending van de zorgplicht of de inhoud van de overeenkomsten, maar louter op de gebondenheid van de klant aan de juistheid van de door de bank verschafte gegevens (Rb. Amsterdam 8 juli 2015 (gepubliceerd op 13 juli 2015), ECLI:NL:RBAMS:2015:4286 (Horeca Meubilair Den Haag Beheer/ING Bank), r.o. 4.2. Zie ook al eerder een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake ING: Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3906). Het hof Den Bosch laat zich in soortgelijke bewoordingen uit (Hof Den Bosch 22 september 2015 (gepubliceerd op 23 september 2015), ECLI:NL:GHSHE:2015:3660 (X/ABN AMRO), r.o. 3.8.3). 

In het vorige kwartaal schreven we al dat het maar de vraag is of deze oordelen over de vervaltermijnen uit de Algemene Bankvoorwaarden wel juist zijn (Q2 Klachtplicht, vervaltermijnen en verjaring). Immers, de vervaltermijnen zijn contractueel overeengekomen en een beroep op de vervaltermijnen zou daarom open moeten staan voor de bank. Steun voor die opvatting kan worden gevonden in Hof Arnhem 18 december 2012, JOR 2013/45.