Q1 Klachtplicht, vervaltermijnen en verjaring

Written on 28 Apr 2015

Ten aanzien van de klachtplicht, vervaltermijnen en verjaring zijn de arresten van de Hoge Raad van 8 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4600 (Van de Steeg c.s./Rabobank Noord-Holland Noord); ECLI:NL:HR:2013:BX7846 (Van Lanschot/Grove c.s.); ECLI:NL:HR:2013:BX7195 (Kramer/Van Lanschot)) over de inperking van de klachtplicht (art. 6:89 BW) baanbrekend geweest. Het effect van die arresten laat zich duidelijk voelen in de jurisprudentie die afgelopen kwartaal is gepubliceerd.

A. Klachtplicht

Het laatste decennium hebben banken de schending van de klachtplicht veelvuldig als verweer tegen vorderingen van klanten ingeroepen en veelal ook met succes. Dit succesnummer is door de Hoge Raad een halt toegeroepen met zijn 8 februari-arresten. Voor de recente jurisprudentie te bespreken, eerst een korte schets van de hoofdlijnen uit die arresten van de Hoge Raad.

Meest elementair en baanbrekend zijn de volgende overwegingen:

a. lijdt de bank nadeel door het late tijdstip waarop de klant heeft geklaagd, waarbij de tijd die is verstreken tussen (i) het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan en (ii) het tijdstip van klagen, dan vormt dat nadeel in de beoordeling van de vervulling van de klachtplicht weliswaar een belangrijke factor, maar dat is niet doorslaggevend;

b. de bijzondere zorgplicht van een bank jegens particuliere beleggers strekt mede ter bescherming van de klant tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid (zie ook bijvoorbeeld HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799 (Fortis/Bourgonje);

c. de (particuliere) klant mag er in beginsel van uitgaan dat de bank die zorgplicht jegens hem naleeft. Eerst zodra de klant van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten, ontstaat een onderzoeksplicht;

d. de (enkele) omstandigheid dat de beleggingen een tegenvallend rendement hebben of tot verliezen leiden, wijst volgens de Hoge Raad niet zonder meer op een tekortschieten van de bank. Dat hoeft dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek door de klant te zijn. Dat geldt des te meer indien de bank als oorzaak voor tegenvallende rendementen of verliezen omstandigheden noemt die niet in haar risicosfeer liggen, of ter zake geruststellende mededelingen doet.

Niet nieuw, maar onder hevige kritiek in de literatuur, is dat de Hoge Raad vasthoudt aan de op de schuldeiser (de klant) rustende stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of tijdig is geklaagd. Doet de bank een beroep op schending van de klachtplicht dan is het vervolgens aan de schuldeiser om gemotiveerd te stellen en desnoods te bewijzen op welk moment is geklaagd.

In Far Trading/Edco Eindhoven (HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593) heeft de Hoge Raad de bewijslast met betrekking tot artikel 6:89 BW nog eens verduidelijkt:

Stap 1: De schuldenaar (de bank) moet stellen dat schuldeiser (de klagende klant) niet tijdig heeft geklaagd.

Stap 2: Voorts moet de schuldeiser (de klagende klant) bewijzen dat en wanneer hij heeft geklaagd.

Stap 3: De schuldenaar (de bank) moet bewijzen dat de schuldeiser (de klagende klant) daarmee niet tijdig heeft geklaagd.

B. Jurisprudentie klachtplicht eerste kwartaal van 2015

De overwegingen uit de 8 februari-arresten worden stelselmatig overgenomen in de lagere jurisprudentie. In de meeste uitspraken strandt de klachtplicht op het niet op de hoogte zijn de van de zorgplicht van de bank of het niet hoeven doen van nader onderzoek door klager. Een uitspraak met een succesvol beroep van de bank op schending van de klachtplicht is in het eerste kwartaal van 2015 niet gepubliceerd (en overigens ook niet door het Kifid).

X c.s./ABN AMRO illustreert dat kennis van de verschillende vormen van dienstverlening van de bank en de vermogensbeheerovereenkomst, niet maakt dat de klagende klant op de hoogte was van de zorgplicht (Rb. Amsterdam 14 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:337).

In Rabobank Den Haag/Vetus gaat de rechtbank Den Haag nog verder. Die rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de renteproducten tot betalingsverplichtingen hebben geleid, daar waar klagers eerder geld ontvingen op grond van de renteovereenkomsten, niet zonder meer wijst op een tekortschieten van de bank. Deze enkele omstandigheid behoeft voor hen dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn. Dat geldt des te meer indien de bank als oorzaak omstandigheden noemt die niet in haar risicosfeer liggen, zoals de dalende Euribor-rente (Rb. Den Haag 14 januari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:272).

Opvallend is wel dat de Rabobank Den Haag, op wie de stelplicht rust om aan te tonen dat zij door het late klagen schade heeft geleden, geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen die het oordeel kunnen dragen dat zij in grote mate in haar belangen is geschaad door het tijdstip van klagen, reden waarom de rechtbank dit verweer passeert. Sterker nog, de rechtbank overweegt dat Rabobank Den Haag ook zonder tijdig klagen haar schade had kunnen beperken.

– In X c.s./Van Lanschot , oordeelde het gerechtshof Den Bosch, in lijn met de 8 februari-arresten van de Hoge Raad, dat verliezen geen reden hoeven te zijn voor onderzoek door de klant naar het handelen van de bank: “Het feit dat de door Van Lanschot vanaf juli 2004 op grotere schaal geadviseerde short straddles in 2006 reeds tot (aanzienlijke) verliezen hebben geleid, wijst dan ook niet zonder meer op een tekortschieten van Van Lanschot en hoefde voor klager dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn” (Hof Den Bosch 10 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:841).

– In Vermogensbeheerder/X c.s.  oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat klagers beperkte beleggingservaring hadden en dat de aard van een vermogensbeheerrelatie als de onderhavige, waarbij de beheerder het vermogen zelfstandig en naar eigen inzicht belegt, de klager er in beginsel – zolang er geen duidelijke tegenindicaties zijn – op moet kunnen vertrouwen dat het beleggingsbeleid in overeenstemming is met zijn risicoprofiel (Hof Amsterdam 7 oktober 2014 (gepubliceerd 8 januari 2015) ECLI:NL:GHAMS:2014:4128).

– Het Kifid doet een beroep op de klachtplicht louter af met het argument dat niet aannemelijk is dat de bank door het tijdsverloop een onevenredig nadeel heeft ondervonden (zie Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 20 februari 2015, nr. 2015-056 (X c.s./Nationale Nederlanden Bank)).

C. Jurisprudentie verjaring en vervaltermijnen (anders dan art. 6:89 BW) eerste kwartaal van 2015

Ten aanzien van verjaring en vervaltermijnen (ander dan art. 6:89 BW) zijn door de Hoge Raad of lagere rechters geen noemenswaardige uitspraken gewezen in het eerste kwartaal van 2015. De enige uitspraak over verjaring die aandacht verdient, is een uitspraak van de Geschillencommissie van het Kifid van 20 februari 2015 (nr. 2015-056 (X/Nationale Nederlanden)).

“De Commissie is van oordeel dat Consumenten in elk geval in de maand oktober 2008 uit de berichtgeving rond de problemen waarin Lehman Brothers, Kaupting Bank en Industrie Kredit Bank verzeild waren geraakt en uit het koersverloop van de door deze instellingen uitgegeven obligaties hebben kunnen afleiden dat zij op deze beleggingen een groot verlies zouden lijden. Aangezien de stellingen van Consumenten impliceren dat zij tot dat moment meenden dat hun vermogen niet aan zodanige risico’s zou worden blootgesteld, is oktober 2008 ook het moment waarop de in artikel 3:310 BW genoemde termijn gaat lopen.”

Met andere woorden, berichten in de media en beleggingsverliezen kunnen voor aanvang van de verjaringstermijn relevant zijn volgens de Geschillencommissie van het Kifid. Let wel, de rechtbank Amsterdam lijkt daar wezenlijk anders over te denken (Rb. Amsterdam 18 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8665 (A/ABN AMRO)). De rechtbank overweegt dat ook voor aanvang van de verjaringstermijn moet worden aangeknoopt bij de aanvang de klachttermijn ex artikel 6:89 BW (de klachtplicht) en overweegt dat kenbaarheid met beleggingsverliezen op zichzelf niet leidt tot aanvang van de verjaringstermijn.